Leren van de kermis

Het is misschien moeilijk voor te stellen voor generaties die zijn opgegroeid met de Sinksenfoor, maar in vroegere tijden kon je nog heel wat bijleren op de kermis. Nele Wynants onderzoekt met haar project Science at the Fair hoe rondreizende forains en musea een belangrijke rol speelden in de verspreiding en popularisering van wetenschap, kennis en visuele cultuur.

Jouw onderzoek bevindt zich op het snijvlak tussen wetenschap, theater en media. Vanwaar jouw fascinatie voor de kruisbestuiving tussen deze gebieden?

Nele Wynants

Veel van de technologie en media die we vandaag vanzelfsprekend vinden, vonden hun eerste toepassing in theater of populaire cultuur. Denk maar aan licht en elektriciteit. Artiesten zijn altijd heel snel geweest in het experimenteren met nieuwe media, zoals projectietechnieken. Van de toverlantaarn tot cinema: het begon allemaal voor een live publiek.

Daarnaast was het theater – en bij uitbreiding de kermis of andere publieke plaatsen – tijdens de 18e en 19e eeuw dé plaats waar mensen voor het eerst in contact kwamen met nieuwe wetenschappelijke inzichten.

Wetenschapscommunicatie of -popularisering is ouder dan vandaag. Het gebeurde toen vooral in theaters, parochiezalen en rondreizende musea, vaak door sprekers, forains of showlieden die zich professor noemden en demonstraties gaven van bijvoorbeeld elektriciteit en astronomie of microscopie. Een microscoop gecombineerd met een projectieapparaat kan iets minuscuul klein, onzichtbaar voor het blote oog, uitvergroot projecteren. Denk maar aan een luis, vleugels van een vlieg of de bacteriën in een druppel water.  

Kortom: de geschiedenis van wetenschap, theater en media is heel sterk met elkaar verweven, maar daar zijn we ons vaak niet van bewust.

Je kreeg onlangs een ERC Starting Grant voor het project ‘Science at the Fair: Performing Knowledge and Technology in Western Europe, 1850-1914’. Hoe is het idee voor dit onderzoeksproject ontstaan?

Het idee voor dit project is gegroeid uit voorgaand onderzoek naar visuele media en technologie in theater en dan specifiek naar zogenoemd wetenschappelijk theater. Zo kwam ik erop uit dat veel van die theaters over landsgrenzen heen reisden en vaak te zien waren op een jaarmarkt of kermis. Ze stonden naast mobiele wetenschappelijke musea, zoals anatomische en natuurhistorische musea met wassen beelden die dan inzage gaven in anatomie en biologie, maar ook historische en/of religieuze taferelen verbeelden.

Internationaal museum voor kunst en wetenschap op de kermis van Tilburg, omstreeks 1925.
Foto: Regionaal Archief Tilburg

Ik merkte echter dat er weinig literatuur over bestond, en vooral dat de bestaande literatuur meestal een heel erg lokale focus had: de kermis in Brugge of de kermis in Wallonië. Terwijl de artiesten zelf heel internationaal waren en over een zeer groot gebied rondtrokken.

Met dit project bestuderen we in welke mate deze reizende artiesten en kermislieden bijdroegen tot een nieuwe kenniscultuur in de periode tussen 1850 en 1914. In een tijd waarin moderne communicatiemiddelen nog in hun kinderschoenen stonden en slechts een minderheid van de bevolking kon lezen, waren veel mensen voor hun informatievoorziening aangewezen op rondreizende voorstellingen en tentoonstellingen.

Otto Riedel’s wissenschaftliches Museum und Panopticum, 1896, Friedlander (c) Collectie UvA

We vertrekken van de hypothese dat kermissen in deze periode niet louter een lokale folkore of volkstraditie was, maar ook een knooppunt voor internationale uitwisseling waarin rondreizend amusement een centrale en moderniserende rol speelde in de verspreiding en popularisering van wetenschap en kennis. En dit voor mensen van over het hele sociale spectrum.

Ze steunden daarbij op erg efficiënte internationale netwerken en het zijn net die transnationale relaties van West- Europese kermistheaters die we in kaart willen brengen.

Daarnaast gaan we ook kijken en analyseren hoe impliciete kennis en sociale waarden en normen over bijvoorbeeld gezondheid, gender, natie, klasse of ras op deze manier verspreid werden. Want we moeten die spektakelcultuur natuurlijk begrijpen tegen de achtergrond van onze koloniale geschiedenis.

Wat vind je zelf de leukste ontdekkingen die je tot nu toe hebt gedaan?

Ik hou heel erg van het toeval en het onverwachte in onderzoek, en ik vertrouw nogal sterk op mijn intuïtie om een bepaald spoor te volgen. Dat lijkt haaks te staan op de systematiek die van wetenschappers verwacht wordt, maar vaak komen er dingen of mensen plots op je weg die belangrijk blijken in het verloop van het onderzoek. Als je open staat voor dit soort onverwachte wendingen, doe je soms de meest interessante vondsten. Dat kan misschien romantisch en naïef klinken, maar het heeft mij al dikwijls veel gebracht.

Het gaat ook vaak om het intermenselijk contact: praten met een verzamelaar die zijn of haar passie wil delen, een bibliothecaris of archiefmedewerker die je met je onderzoek weet te prikkelen en daardoor dat extra beetje moeite doet om mee te zoeken. Zo vind je soms zaken die je anders nooit zou vinden.

Saltimbanque Gilbert, met wie Nele toevallig in contact kwam bij een bezoek aan een tweedehands boekenwinkel in Parijs.
Bron: www.saltimbanque.de

Onlangs was ik in een tweedehands boekenwinkel in Parijs en vroeg ik de handelaar om bepaalde titels terwijl ik hem wat uitleg gaf over mijn project. Een andere klant stond mee te luisteren. Toevallig kende hij een aantal mensen uit de kermisgeschiedenis in Frankrijk en Duitsland (gemeenschappen die redelijk gesloten zijn, en moeilijk toegankelijk bovendien) waar hij me mee in contact kon brengen. Hij stond erop dat ik ter plekke mijn Facebook-app moest openen en een paar mensen een vriendschapsverzoek moest sturen met zijn complimenten. Ik ken alleen de voornaam van deze persoon maar het was een van de meest productieve gebeurtenissen binnen mijn onderzoek. Dankzij hem ben ik plots in contact met een paar heel interessante personen om te interviewen. Dit soort orale bronnen zijn ontzettend waardevol omdat kermis een vorm van immaterieel cultureel erfgoed is. Er loopt trouwens momenteel een aanvraag om kermiscultuur van West-Europe erkend te krijgen bij UNESCO als immaterieel erfgoed.


Meer weten?

  • Ontdek meer over Science at the fair op hun projectpagina of download de brochure hieronder. We blijven dit project ook op Bladspiegel opvolgen, stay tuned!
  • Nele is ook hoofdredacteur van Forum+, een tijdschrift voor onderzoek en kunsten dat de meest recente tendensen in kaart brengt van het lopend onderzoek dat gevoerd wordt aan de kunsthogescholen – vaak in nauwe samenwerking met de universiteit.
Nele Wynants leads the EU-funded Science at the Fair project. They will perform pioneering research on the role itinerant show people played in the dissemination of information about scientific and technological advances at fairs in western Europe between 1850 and 1914. The project is based on the hypothesis that fairs during this period were not only local folk events but also centres of international exchange. Many theatres travelled internationally and could often be seen at a fair or trade fair. They stood alongside touring scientific museums, such as anatomical and natural history museums with wax figures that gave an insight into anatomy and biology, but also depicted historical and/or religious scenes.