Hoe documentaires op Expo 58 het Belgische zelfbeeld vormgaven

Beeld: Promotionele setfoto voor Expo en avant! (Gaston Schoukens, 1958). Bron: ‘Expo en avant!’, KADOC Archief, Verzameling filmdossiers Katholieke Filmliga/Filmmagie, BE/942855/1927/8544.

Kun je van het echte leven een film maken, vroeg Marcel Broodthaers zich af toen hij zich krom werkte op een bouwwerf van Expo 58. Onderzoek van Bjorn Gabriels (Research Centre for Visual Poetics) toont dat de piek van koloniale, toeristische en industriële documentaires tijdens die wereldtentoonstelling zich voortdurend moest verhouden tot de geïdealiseerde moderniteit waarin België zich toen wentelde. (Tekst: Bjorn Gabriels)

Marcel Broodthaers was nog niet de wereldbekende kunstenaar, wel een aankomende fotograaf en journalist, toen hij zich met zijn collega-arbeiders de naad uit het lijf werkte om de paviljoenen van de spektakelrijke wereldtentoonstelling in Brussel tijdig klaar te krijgen. Toen Broodthaers enkele maanden later tijdens Expo 58 debuteerde als filmmaker, bevatte zijn kunstdocumentaire La clef de l’horloge (1958) geen spoor van het sociale engagement dat zijn fotoreportages had gekenmerkt. Zijn vraag of het echte leven in film valt te vatten bleef dus open.

België, een land zonder filmindustrie?

De filmsector in België verzuchtte al jaren dat er maar geen professionele filmindustrie van de grond kwam. Waren er hier dan wel filmmakers die de uitdaging wilden of konden aangaan om de complexiteit van het leven op film vast te leggen?

Meer dan de als pover beschouwde fictieproductie – vooral populaire volkskomedies – had de documentaire een aura van prestige en vakmanschap. In binnen- en buitenland ontvingen Belgische documentairemakers lof voor hun werk. Innovatieve kunstdocumentaires haalden internationale prijzen. En had Henri Storck samen met de Nederlander Joris Ivens niet de geëngageerde klassieker Misère au Borinage (1933) gemaakt?

De aansluiting van de Belgische film, ook de documentaire, bij het opkomende filmische modernisme verliep evenwel schoorvoetend. Vormelijke experimenten en kritische reflectie moesten het doorgaans afleggen tegen de dominantie van propagandawerk dat in de pas liep van de commerciële en politieke belangen van de opdrachtgevers.

Een koloniale spektakelfilm van een ex-koning en een ex-nazi

Vooral binnen de koloniale filmproductie was nauwelijks ruimte om van de norm af te wijken. Naar aanleiding van Expo 58 en de 50ste verjaardag van de annexatie van Congo bij de Belgische staat beleefde de koloniale film een ware piek, en dat op nauwelijks 2 jaar van de Congolese onafhankelijkheid.

Een van de grootste filmproducties uit de Belgische geschiedenis was de in Congo gefilmde natuurdocumentaire Les seigneurs de la forêt (1958). Deze film zag het licht als een project van voormalig vorst Leopold III en was bestemd om tijdens Expo 58 een grootse galapremière te beleven. Een problematisch en aanslepend ontstaansproces gooide echter roet in het eten. De film raakte niet tijdig klaar. Bovendien ontstond er heibel in de pers en binnen verzetskringen toen bekend raakte dat Leopold, die zelf afstand had moeten doen van de troon omwille van zijn getroebleerde oorlogsverleden, nauw had samengewerkt met een bevriende voormalige SS’er, de wetenschapper Ernst Schäfer.

Les seigneurs de la forêt eigenlijk de ultieme koloniale Expo 58-film: hyperambitieus, spectaculair en tot in de kern paradoxaal”

Bjorn Gabriels

Door inspanningen van Henri Storck, die als executive producer de afwerking en distributie van Les seigneurs de la forêt coördineerde, verdween Schäfer nagenoeg uit beeld bij de release van de film. Ook al had de ex-nazi in feite de hele film in de steigers gezet. Storck betreurde echter vooral dat Leopold geen enkele galapremière zou bijwonen. De film kreeg wel een wereldwijde verdeling, gesteund door de grote Hollywoodstudio 20th Century Fox en het diplomatieke netwerk van België. De Engelstalige versie kreeg een voice-over van levende legende Orson Welles. De ontvangst was lovend. Dat een voormalig naziwetenschapper een van de drijvende krachten was geweest, bleef een voetnoot. “Hoewel niet tijdens de wereldtentoonstelling vertoond, was Les seigneurs de la forêt eigenlijk de ultieme koloniale Expo 58-film: hyperambitieus, spectaculair en tot in de kern paradoxaal”, zegt Bjorn Gabriels.

Een advertentie voor Les seigneurs de la forêt schrijft de film een “aangrijpende authenticiteit” toe en benadrukt het patronaat van Leopold III. Bron: ‘Les seigneurs de la forêt’, KADOC Archief, Verzameling filmdossiers Katholieke Filmliga/Filmmagie, BE/942855/1927/19263.

Modern België: vooruitstrevend én voorbijgestreefd

Naast de vele koloniale films zorgde Expo 58 ook voor een hausse van toeristische en industriële films. Ook op dat terrein dienden die films in de eerste plaats om het statuut van België als moderne samenleving kracht bij te zetten.

De alomtegenwoordige Henri Storck maakte in opdracht van de metaalindustrie een filminstallatie, Couleur de feu (1958). Hij beweerde met die documentaire een ode te willen brengen aan de viriele arbeider, maar leverde finaal vooral een lofzang aan het spektakel van de moderniserende metaalindustrie. De sociale strijd van de arbeiders bleef helemaal buiten beeld.

Een metaalarbeider met veiligheidsbril aan het werk in Couleur de feu (Henri Storck, 1958).

De meeste tijdens de wereldtentoonstelling getoonde documentaires fêteerden bovenal het beeld dat België in het Expojaar van zichzelf wilde ophangen. Volgens deze visie was België een moderne welvaartsstaat met een goedmoedige koloniale missie, een vlot draaiende industrie en een culturele erfenis die toeristen van over de hele wereld kon bekoren. “Ook Belgische documentaires schilderden België af als een cultureel en politiek kruispunt van internationaal humanisme, met weinig aandacht voor de schaduwzijden van dit alom verspreide narratief”, zegt Bjorn.

Kritische kanttekeningen waren vooral te zoeken in de marges van het opgepoetste zelfbeeld. Fundamentele zelfreflectie was al helemaal schaars. Al waren de kiemen van de Congolese onafhankelijkheid in 1960 en de ‘staking van de eeuw’ in 1960-1961 toen al te bespeuren. “Het onderzoek laat zien hoe documentaires bovenal een opgepoetste weergave van België presenteerden en daarmee een belangrijke bijdrage leverden aan het zelfbeeld van België dat tot vandaag voortleeft, zowel in discussies over kolonialisme als over de moderne welvaartsstaat”, besluit Bjorn.

Contact

Bjorn Gabriels | bjorn.gabriels@uantwerpen.be

Meer weten? Kom naar de doctoraatsverdediging op 31 augustus 2026.

Lees ook