Afbeelding: fragment uit het typoscript van Ik heb altijd gelijk.
Aan de hand van talrijke onbekende documenten uit het archief van schrijver Willem Frederik Hermans (1921-1995) beschrijft Peter Kegel hoe de inhoud en vorm van Hermans’ werk onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. De “kladjes” tonen een welhaast bezeten schrijver voor wie maar één ding telde: leven voor de literatuur. (Tekst: Peter Kegel)
Over Willem Frederik Hermans is al veel gezegd en geschreven, maar nog nooit kon je het ontstaan van zijn werk van dichtbij volgen. Een vuistdik proefschrift in drie delen ontraadselt de geheimen van Hermans’ schrijven. De geschiedenis van het eindresultaat. Literaire traditie, experiment en creatieve inventie in het werk van Willem Frederik Hermans toont de schrijver aan het werk, vanaf zijn eerste schoolkrantpublicaties tot en met het jaar waarin zijn meesterwerk De donkere kamer van Damokles verscheen. Aan de hand van notitieboekjes, brieven, manuscripten en typoscripten ontstaat een fascinerend perspectief op één van de grootste 20e-eeuwse schrijvers van Nederland.
Peter Kegel, eerder bezorger/projectleider van Hermans’ 24-delige Volledige Werken (2005-2022): “Hermans was van jongs af aan gefascineerd door literatuur. Hij was op jonge leeftijd al een gretig lezer en zou dat zijn leven lang blijven. En alles wat hij las, kon hij gebruiken voor zijn eigen werk.”

“Het wordt heel anders dan mijn andere werk”
Hermans’ roman Ik heb altijd gelijk (1951) is vooral gelezen als een autobiografisch document. Ook leidde het boek tot een rechtszaak, omdat de schrijver de katholieken beledigd zou hebben. Waar het Hermans echt om ging, en hoe de roman “werkt”, wordt nu pas duidelijk. Hij schreef een boek dat “heel anders” was dan zijn andere werk en maakte daarvoor dankbaar gebruik van wat hij had gelezen in de romans van L.F. Céline. Ik heb altijd gelijk blijkt een sterk doorgecomponeerde roman die zich laat lezen als een overrompelende, groteske tragedie.
“Een fantastisch amalgama van diverse elementen”
De donkere kamer van Damokles (1958) is wellicht Hermans’ meesterwerk, maar ook een boek als een puzzel. Generaties onderzoekers, studenten en scholieren hebben zich afgevraagd hoe de oorlogsroman nu eigenlijk gelezen moest worden. Bestaat Dorbeck? En is Osewoudt “goed” of “fout”? Hermans zelf zag zijn roman vooral als “een fantastisch amalgama van diverse elementen”. Welke elementen dat allemaal zijn, wordt in De geschiedenis van het eindresultaat beschreven. De donkere kamer staat stevig in een melodramatische verteltraditie, gebruikt allerlei gegevens uit naoorlogse kranten en zwaarlijvige rapporten én speelt met de conventies van de Franse en Amerikaanse film noir.
Benieuwd naar meer? Kom dan naar de doctoraatsverdediging op 12 juni 2026.

