Letters Across Borders: Student Reflections on Equality, Inclusion, and Sustainable Cities

This letter exchange between Eve, a Belgian Conservation-Restoration student, and Denilson, a Brazilian urbanism researcher, explores SDG 11 through reflections on housing, heritage, climate resilience, and inclusive city-making. Comparing Antwerp and Recife, they discuss water-sensitive design, cultural identity, urban inequality, and community participation, highlighting shared challenges and locally grounded pathways toward sustainable urban futures.

EVE THIERS

Aan mijn penvriend,

Beste Denilson,

Ik heb erg uitgekeken naar deze nieuwe ervaring. In alle tijden is het van belang om te communiceren en banden aan te gaan met mensen en maatschappijen die dichter bij of verder van ons zijn. In groepsverband staan we sterker om een positieve verandering te maken in de wereld. Ik ben erg geïnteresseerd in jouw inzichten als student in Brazilië, maar ook licht nerveus om als eerste deze briefwisseling te starten en uiteraard nieuwsgierig waartoe dit gesprek ons kan brengen.

Aangezien we zullen schrijven over SDG 11 “Make cities and human settlements inclusive, safe, resilient and sustainable”, wilde ik je allereerst de reden meedelen waarom ik graag over dit thema wilde spreken. Deze luidt namelijk als volgt: het is een basisrecht dat ieder mens kan leven in een mensvriendelijke omgeving. Daarbij is een huis slechts een thuis wanneer je je geen zorgen hoeft te maken over je gezondheid, zowel fysiek als mentaal. Het hoort aan bepaalde standaarden te voldoen. Velen leven in onmenselijke omstandigheden, met nauwelijks/geen toegang tot de basisbenodigdheden. Mijn ouders zijn beiden opgeleid in de (landschaps)architectuur en stedenbouw, met een specifieke aandacht voor verduurzaming en ecologisch bouwen. Daarmee ben ik dus van kleins af aan in aanraking gekomen met heel wat betrokken informatie. Uiteraard heb ik los hiervan nog mijn eigen onderzoek gedaan.

Door de toenemende verstedelijking en het feit dat meer dan de helft van de wereldbevolking in steden woont, heeft het kopen van een huis een crisispiek bereikt. Meer dan 3 miljard mensen ondervinden moeilijkheden bij het financieren van hun woning. 1,12 miljard mensen wonen in sloppenwijken of informele nederzettingen die niet over voldoende basisvoorzieningen beschikken. Europa ondervindt minder zware hinder door sterke regelgeving en financiële steunsystemen, maar dat betekent niet dat deze problemen bij ons onbekend zijn. Klimaatgevaren verhogen de kwetsbaarheden in steden en open groene gebieden zijn aan het verdwijnen.

Om de crisis van betaalbare huisvesting aan te pakken, is het essentieel om informele en sociale huisvesting te verbeteren, terwijl de private markt wordt gestimuleerd om de lage inkomensgroepen effectiever te ondersteunen. In Europa (en Noord-Amerika) was in 2023 de gemiddelde woonkostenlast gelijk aan 21,4%. Ik vermoed (en ik hoop dat ik correct geïnformeerd ben) dat dit bij jullie op een waarde van 30% kwam. Dit percentage lijkt op het eerste zicht niet erg veel te verschillen, maar als je dit zou omzetten naar het aantal mensen dat hiertoe behoort, lijken deze cijfers plots een heel stuk groter.

Ik woon in België, waar het bijna onwaarschijnlijk lijkt dat niet iedereen, net zoals ik, een dak boven het hoofd heeft. Daarom wil ik me er keer op keer aan herinneren om dankbaar te zijn om hier te mogen opgroeien, zonder al te veel zorgen. Desondanks moet ik niet ver reizen om geconfronteerd te worden met de woonsituaties in bepaalde delen van bijvoorbeeld Brussel of Antwerpen.

In België is de voortgang op SDG 11 een verhaal van twee tegenstrijdige aspecten: hoewel de toegang tot basisdiensten en de veiligheid in de openbare ruimte doorgaans goed scoren, heeft mijn land nog steeds aanhoudende problemen met huisvesting, mobiliteit en milieukwaliteit. Een toenemend percentage van de Belgische bevolking besteedt meer dan 40% van zijn/haar inkomen aan wonen.

Hoewel de normen streng zijn, heeft een groot aantal oudere woningen te maken met ernstige problemen zoals vocht, slechte isolatie of verouderde verwarmingssystemen.

België heeft een van de meest versnipperde landschappen van Europa. De historische spreiding van woningen maakt het kostbaar en ingewikkeld om openbaar vervoer en nutsvoorzieningen op een efficiënte manier te organiseren.

In stedelijke centra zoals Antwerpen, Brussel en Gent zijn de concentraties fijnstof en stikstofdioxiden vaak nog hoger dan de strengere richtlijnen van de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie), wat leidt tot directe gezondheidsrisico’s. Dit komt voornamelijk omdat de auto nog steeds centraal staat in het personenvervoer, wat resulteert in fileproblemen (ook wanneer ik de bus naar de les wil nemen) en een trage daling van de emissies in de transportsector.

Wist je dat België internationaal uitstekend presteert op het gebied van “toegang tot openbare ruimte”, maar de kwaliteit en het onderhoud van deze ruimte vaak onder druk staan door het intensieve gebruik en financiële beperkingen bij lokale autoriteiten? Dit is bijvoorbeeld goed te zien aan de toestand van bepaalde tram- en treinstations.

Als student Conservatie-Restauratie krijg ik steeds te maken met het concept van ‘erfgoed’. Het heeft zelfs een essentiële rol in SDG 11, maar wordt vaak over het hoofd gezien. In België, waar de historische centra van steden zoals Brugge, Gent, Antwerpen en Brussel de basis vormen van de stedelijke identiteit, is erfgoed onlosmakelijk verbonden met duurzaamheid. De woning die al in gebruik is, is de meest duurzame. Het behoud en herzien van historisch erfgoed leiden tot een besparing van de aanzienlijke energie- en grondstoffenhoeveelheid die vereist is voor nieuwbouw.

Erfgoed omvat niet alleen “oude stenen”, maar ook de gezamenlijke herinnering van een gemeenschap. Het investeren in openbaar erfgoed, zoals parken rondom kastelen of historische pleinen, zorgt voor ontmoetingsplaatsen die de leefbaarheid en veiligheid van een wijk bevorderen. België staat voor de uitdaging om erfgoed op een manier te beheren die niet resulteert in gentrificatie, maar wel kansen creëert voor diverse groepen.

Historische steden beschikken vaak over een structuur die niet is aangepast aan de huidige klimaatproblemen, zoals hittestress en overlast door water.

Hoe kun je een beschermd monument isoleren zonder de historische waarde aan te tasten? België is druk bezig met innovaties, zoals isolerende kalkpleisters of vacuümglas, om erfgoed energiezuinig te maken.

Daarbij zijn veel historische steden opgericht rondom waterwegen die in de loop der jaren zijn overwelfd of dichtgelegd. Het openen van deze vlieten draagt bij aan het herstel van het erfgoed en ondersteunt de afkoeling van de stad en het bufferen van water.

In plaats van erfgoed als een obstakel voor ontwikkeling te beschouwen, wordt het in België steeds vaker gebruikt als middel voor veerkracht. Door historische methoden, zoals dikke muren voor natuurlijke koeling, te integreren met hedendaagse technologie, worden onze steden niet alleen duurzamer, maar behouden ze ook hun bijzondere karakter en menselijke schaal.

Dan is er nog de kwestie van immaterieel erfgoed, dat mensen verbindt die elkaar in hun dagelijks leven misschien niet zouden ontmoeten. Immaterieel erfgoed blijft dynamisch. In Belgische steden merk je dat er nieuwe tradities ontstaan of dat oude tradities zich aanpassen aan de diverse bevolking, waardoor nieuwkomers sneller een plek vinden binnen de lokale gemeenschap.

Voor het herstel van onze steden is het essentieel om bekend te zijn met traditionele bouwtechnieken, zoals kalken, smeden of houtbewerking. Door dit vakmanschap te behouden, zorg je voor lokale werkgelegenheid die niet zomaar naar lageloonlanden kan worden verplaatst.

Ook de Belgische biercultuur en frietkotcultuur, die beiden door UNESCO zijn erkend, trekken bezoekers die de lokale horeca ondersteunen, wat de economische levensvatbaarheid van stedelijke gebieden versterkt.

Ondanks zijn aanzienlijke rol staat het immaterieel erfgoed onder druk. Talrijke tradities zijn gebaseerd op de steun van oudere vrijwilligers. Zonder de komst van jongeren staat deze sociale structuur op het punt te verdwijnen. Eveneens is er in de stad fysieke ruimte vereist voor tal van immaterieel erfgoed, zoals stoeten, markten en ambachtelijke werkplaatsen. Vanwege de hoge vastgoedprijzen worden deze activiteiten af en toe naar de rand verdreven.

Desondanks zorgt immaterieel erfgoed ervoor dat een stad menselijk wordt. Zonder deze levendige tradities zou een stad slechts een verzameling duurzame gebouwen zijn, maar geen “gemeenschap”.

Ik zou over dit onderwerp kunnen blijven spreken, maar voor nu hou ik het hierbij en wil ik je de kans geven om deze brok aan informatie te verwerken. Hopelijk heb ik je een eerste inkijk kunnen geven in het functioneren van ons systeem en de thema’s die me in zekere zin bezighouden tijdens mijn opleiding.

Met veel enthousiasme wacht ik op jouw visie!

Je penvriendin,

DENILSON RAFAEL

Para minha amiga de Cartas,

Querida Eve,

É recíproca essa espera pela nossa troca de experiências. Demorei mais do que esperava devido à minha correria em final de graduação. Sua escrita é muito clara e cativante, em várias partes da sua carta vi que existem pontos em que nossas cidades se tocam e enfrentam os mesmos problemas. Numa cidade anfíbia como Recife, em que nasceu do encontro de dois rios que também desaguam no oceano, crescemos com essa vocação para as águas. Falando sobre a ODS 11 – “Tornar as cidades e os assentamentos humanos inclusivos, seguros, resilientes e sustentáveis” -, Recife está numa luta constante unindo entidades acadêmicas, ativistas, ONGs para tirar a cidade da 16ª posição no ranking de cidade mais vulnerável do mundo às mudanças climáticas (ONU, 2021). Embora essa informação tenha sido feita há cinco anos, pesquisas continuam apontando que Recife é uma das cidades mais vulneráveis do mundo. Para você entender bem o contexto, o estado de Pernambuco, cerca de 1 milhão de pessoas vivem em áreas vulneráveis às mudanças climáticas e, segundo o Governo Federal, esse número equivale a 11,6% da população brasileira e fica em 3º lugar no percentual de moradores em áreas de risco no País. Para encerrar essa chuva de dados, segundo o levantamento do Tribunal de Contas de Pernambuco (TCE), 83% das cidades não têm fundo municipal de Defesa Civil, o que levou, em 2022, à vida de 133 mortos e milhares de desabrigados.

Isso prova que desigualdade urbana e a crise climática estão diretamente conectadas e, nas palavras de Raquel Ludermir, gerente de incidência política da Habitat Brasil: “A crise habitacional empurra pessoas para áreas de risco”.

Ano passado participei de um Workshop internacional numa cooperativa entre a ARIES, UNICAP e Central Saint-Martins (Londres), em que fizemos um laboratório vivo sobre resiliência urbana integrada – social, climática e econômica. Foi essencial para definir minha vocação ao urbanismo e estudos macros da cidade. Desde o primeiro contato com o urbanismo, no 5º semestre, fiquei fascinado e apaixonado pelas análises urbanas. Atualmente concentro meus estudos finais de graduação no centro do Recife, mais especificamente do bairro do Recife – aquele que deu origem à cidade. E aproveitando que faço pesquisa científica sobre rotas estratégicas para reabilitar no bairro, decidi apontar meu projeto final de graduação lá também. Retorno a este ponto mais adiante.

Sabemos que Recife vive uma desigualdade urbana de investimentos gigantesca e é aqui onde eu quero entrar como o coração da minha carta: a mercantilização da nossa paisagem. Desde o séc. XIX, com as políticas higienistas e de reformas de “melhoria”, fragmentos urbanos foram criados, espaços foram especularizados e populações pobres foram constantemente marginalizadas e ignoradas no planejamento urbano. Dando um pulo grande no contexto histórico para ser mais breve, eu gostaria muito de inserir imagens das rupturas na paisagem cultural causadas por este fenômeno de mercantilização, só assim se tem ideia do que está acontecendo nas últimas décadas na cidade do Recife. O solo urbano deixou de ser um direito básico, defendido pela ODS 11, e passou a ser um ativo financeiro. Isso não é somente culpa do mercado imobiliário, na verdade penso ele como um catalisador de transformações urbanas.

A grande questão está no poder público como agente facilitador de fragmentos urbanos, fulano defende que desde o final da década de 1990, mudanças nas legislações foram a principal porta aberta para o mercado imobiliário, e a resposta mais clara e gritante está não só numa mudança tipológica e na ruptura da paisagem, está na vida urbana: interfaces arquitetônicas já não dão mais aquela vitalidade para as ruas; fachadas cegas, muros sem permeabilidade alguma e até pior: o tal do edifício pódio – é uma tipologia mista que integra o tipo torre e o tipo bloco no térreo. Em outras palavras ele tem os primeiros quatro pavimentos para garagem, térreo apenas uma portaria (sem loja, comércio ou serviço) e a “vigilância social” defendida por Jacobs fica cada vez mais suprimida pela distância de implantação da torre para a rua.

Exemplo mais emblemático dessa nova forma da cidade é o que aconteceu com o Cais José Estelita e o projeto “Novo Recife”: uma discrepante mudança na paisagem, configuração urbana e frente d’água: constroem-se torres imensas, verdadeiros espigões de luxo que barram a ventilação, privatizam o horizonte e ignoram a escala humana. Em minha opinião, o movimento social ‘Ocupe o Estelita’ realçou a ideia de que a frente marítima está sendo “limpa” e “higienizada” para o turismo e populações de médio a alto padrão, enquanto a função social está sendo cada vez mais suprimida, e o “sentido comum” está fora do planejamento urbano. Estamos vendo a alma da cidade ser vendida, um processo de “Urbanalização” – em que a cidade vira um produto genérico, sem identidade, feita apenas para o consumo.

Mas então, como a gente sai dessa? A ODS 11 defende em suas premissas habitação acessível, transporte sustentável, urbanização inclusiva, patrimônio cultural e material, redução de impacto ambiental, etc. É aqui que o desenho urbano entra não como um “embelezamento” ou uma lógica exclusivista de desenhar a cidade, mas como uma ferramenta política e social. O meu projeto de graduação busca subverter essa lógica atual de desenhar a cidade – em que o poder está nas mãos dos proprietários dos lotes e no que a legislação lhe permite, sem haver um desenho prévio de quadras como defende Christian Portzamparc – para um desenho com urbanidade.

Eu quero encerrar narrando um pouco do meu projeto. Ele está localizado dentro do Porto do Recife, na sua área operacional que atualmente contém glebas ociosas devido ao deslocamento da maioria de suas atividades para o litoral sul do estado, no Porto de Suape. Como existe um Plano Diretor do Porto do Recife, que está buscando o setor privado para uma regeneração de suas áreas ociosas, meu objeto de estudo busca propor um redesenho urbano mostrando a viabilidade econômica e lucrativa de um desenho que respeite e dialogue com a paisagem cultural e não suprima a memória patrimonial portuária.

O desenho urbano precisa ser o mediador desses conflitos. No lugar da mercantilização, eu busco a permeabilidade. Imagine transformar os antigos armazéns ociosos não em shoppings, mas em equipamentos híbridos que misturem habitação social, cultura e comércio de rua. O foco é o pedestre, a escala do olho, a “vigilância social” que acontece quando as pessoas ocupam a rua de verdade. Meu objetivo é mostrar que é possível ter densidade — adensar o centro é sustentável — sem precisar construir torres de 40 andares que destroem a paisagem cultural. A gente pode ter uma cidade compacta, com fachadas ativas e espaços de convivência que respeitem o nosso DNA hídrico.

O desenho urbano que eu acredito é aquele que “costura” o que a mercantilização rasgou. É o desenho que prevê parques que podem inundar sem destruir a infraestrutura, que valoriza as torres sineiras das nossas igrejas históricas e que garante que o morador do Pilar, aqui no Recife Antigo, não seja apenas um figurante na própria história. No fim das contas, a arquitetura tem que servir para reconciliar o cidadão com a sua água e com o seu direito de pertencer ao lugar, sem precisar pedir licença ao mercado imobiliário para ver o pôr do sol no cais.

É um desafio imenso tirar essas ideias do papel, mas é o único caminho que eu vejo para que o Recife não se torne apenas um cenário bonito e vazio, mas continue sendo uma cidade viva, pulsante e, acima de tudo, de todos nós.

Para mim, Eve, foi um prazer ter essa troca contigo. Aprendi muito e vi que Antuérpia e Recife estão estritamente conectadas. Inclusive aqui na universidade estamos participando de um Workshop entre Recife e Antuérpia, onde tive oportunidade de conhecer alguns belgas e, em especial o Bavo e a Delphine, com quem trabalhamos juntos numa análise urbanística de costura da fragmentação invisível no bairro do Recife. Amei conhecer a forma de vocês de estudar o território e a pesquisa em campo para mapear dados subjetivos que enriquecem totalmente o trabalho.

Por fim, minha amiga de carta, espero ansiosamente pelas nossas próximas conversas, você é alguém que tem paixão pelo que estuda e certamente será brilhante no que fizer.

Um abraço, Denilson.

EVE THIERS

Aan mijn penvriend,

Beste Denilson,

Jouw boeiende brief was absoluut het wachten waard. Ik waardeer het altijd wanneer ik zie dat iemand met veel aandacht en passie zich inzet voor het schrijven over het onderwerp waarover hij of zij gepassioneerd is. Om die reden hoop ik jou te kunnen evenaren met mijn laatste brief. Ik ben eigenlijk meteen begonnen met schrijven na het lezen van de jouwe.

Je noemt Recife een “amfibische stad” en verwijst naar een “water-DNA”. Ik ben behoorlijk nieuwsgierig naar de werking van je project met “inundeerbare parken”. Zou je hierover meer informatie willen geven? Om dieper in te gaan op de overeenkomsten tussen de kwetsbaarheid van Recife en de problemen met wateroverlast in België, zou ik het willen vergelijken met Belgische ideeën zoals ‘Watergevoelig Ontwerp’ of ‘Sponge Cities’ als mogelijke oplossingen. Eerder heb ik het openleggen van overwelfde vlieten in België voor verkoeling en waterbuffering besproken.

In België zijn er diverse strategieën en richtlijnen voor het ontwerp van watergevoelige openruimtegebieden, waarbij uitsluitend openruimtefuncties zoals landbouw, natuur en bos toegestaan zijn. Dit houdt ook in dat het gebied wordt aangeduid als watergevoelig openruimtegebied, waardoor het niet langer haalbaar is om de oorspronkelijke bestemming te realiseren. Binnen deze gebieden is het dus niet mogelijk om nieuwe omgevingsvergunningen voor woningen of bedrijven te verkrijgen. Deze gebieden zijn ontworpen om het waterbergingsvermogen te behouden en voldoende ruimte voor water te voorzien. De Vlaamse Regering heeft eveneens richtlijnen opgesteld voor het ontwerp in deze regio’s, waarbij de principes van het bouwen van overstromingsrobuust worden toegepast. Deze richtlijnen en strategieën zijn ontwikkeld om overstromingsrisico’s te beheersen en de bescherming van de open ruimte te garanderen.

Het basisidee achter een Sponge City is simpel: werk samen met de natuur, niet ertegen. Deze benadering richt zich, in plaats van regenwater zo snel mogelijk af te voeren, op het opvangen, vertragen en benutten van water via ecologisch ontwerp. Het Sponge City-concept is gebaseerd op drie fundamentele principes. Allereerst: het vasthouden van water bij de bron door middel van voorzieningen zoals groene daken, waterdoorlatende bestrating en regentuinen. Deze maatregelen zorgen ervoor dat water in de grond kan sijpelen in plaats van dat drainagesystemen overbelast raken. Daarnaast moet de waterstroom worden vertraagd door gebruik te maken van aangelegde wetlands, bioswales en genaturaliseerde rivieroevers, wat de waterbeweging ondersteunt en het risico op onverwachte, verwoestende overstromingen vermindert. Uiteindelijk wordt water in laaggelegen gebieden omarmd door overstromingsgevoelige gebieden om te vormen tot parken, meren en stedelijke wetlands, wat een kwetsbaarheid omzet in een voordeel. Deze methode verlaagt niet alleen de risico’s voor overstromingen, maar bevordert ook de biodiversiteit, de luchtkwaliteit en de stadse schoonheid. Daarnaast dragen Sponge Cities bij aan bredere inspanningen voor klimaatadaptatie door het grondwater aan te vullen en de effecten van hitte-eilanden te verlichten.

Je hebt opgemerkt dat de crisis in de volkshuisvesting mensen naar risicogebieden drijft. De overheid moet stappen ondernemen die het kwalitatieve aanbod in de diverse deelsegmenten verhogen en tegelijkertijd de energie-efficiëntie verbeteren. Een eerste succesvolle stap (ter illustratie) is het systeem van traditioneel huren. Private initiatiefnemers ontvangen hierbij een subsidie of lening om kwalitatieve en betaalbare huurwoningen te creëren. Dit bevordert het opstarten van gemengde projecten waarin sociale huur, betaalbare huurwoningen en traditionele huurwoningen samenkomen.

Je hebt het idee “Urbanalização”, dat de stad als een algemeen consumptieproduct zonder een specifieke identiteit beschouwt, geïntroduceerd. In het Nederlands kunnen we dit omschrijven als “vervlakking”: het verminderen van diepgang en karakter. Mijn studie Conservatie-Restauratie kan een effectief middel zijn tegen deze “vervlakking”.

Oude stenen zoals handgevormde bakstenen, zandsteen, kalksteen en hardsteen tonen eeuwenoude tekenen van menselijke inspanningen en lokale bouwtradities. Ze symboliseren niet alleen architecturale stijlen, maar ook de lokale cultuur en het vakmanschap. Het behoud van authentieke stenen en methoden maakt de geschiedenis tastbaar. Op deze wijze kunnen restauratieprojecten de authentieke sfeer, texturen en kleuren van historische gebouwen behouden of herstellen. Traditionele mortels, zoals kalkzandmortels, en de specifieke metseltechniek zijn cruciaal voor de duurzaamheid. Bij oude stenen kunnen moderne cementmortels resulteren in scheuren, vochtproblemen en verminderde ademendheid. Elke steensoort vertoont specifieke kenmerken met betrekking tot vochtopname, slijtage en verwering.

Restaurators maken gebruik van traditionele technieken om deze natuurlijke processen op een respectvolle manier te ondersteunen, in plaats van ze tegen te werken. Juist door die specifieke kalkmortel en handgevormde stenen te behouden, kunnen we in Antwerpen voorkomen dat we die ‘urbanalização’ ondergaan waar jij voor waarschuwt. Op welke manier kan een gebouw in Recife koel blijven zonder bijvoorbeeld “de glazen muren” in de hedendaagse bouw? Ik herinner me de kenmerkende Braziliaanse cobogós, geperforeerde stenen die de wind doorlaten.

Historische stenen en traditionele methoden zijn onderdeel van een uitgebreidere erfgoededucatie. Ze laten ambachtelijk vakmanschap, regionale tradities en historische bouwtechnieken zien. In historische centra en monumenten dragen oude stenen bij aan de esthetische en culturele aantrekkingskracht, wat de lokale identiteit en toeristische waarden bevordert. Het hergebruik van oude stenen vermindert ecologische gevolgen van sloop en nieuwbouw. Traditionele bouwtechnieken dragen bij aan een duurzame en contextueel relevante benadering. Tijdens de restauratie en herbestemming van historische gebouwen worden oude stenen vaak gecombineerd met hedendaagse ontwerpen, waarbij het belangrijk is om de oorspronkelijke materialen en technieken te respecteren voor een visueel en structureel evenwicht. Erfgoedbeheerders, musea, architecten, restaurators en lokale overheden collaboreren om oude stenen te conserveren, te documenteren en op een waardevolle manier in hedendaagse contexten te integreren.

Oude stenen en traditionele bouwtechnieken zijn een essentiële verbinding tussen het verleden en het heden. Ze dienen niet alleen als bouwmaterialen, maar zijn ook dragers van cultuur, vakmanschap en geschiedenis. Binnen het beheer van erfgoed en de restauratie dragen ze bij aan authenticiteit, duurzaamheid en sociale relevantie; hun onderzoek, documentatie en het respectvol toepassen van traditionele technieken zijn cruciaal om historische kennis, esthetiek en identiteit over te brengen aan toekomstige generaties.

Aangezien jouw project zich richt op de haven van Recife, vroeg ik me af of je al eens hebt nagedacht over het immaterieel erfgoed dat daar aanwezig is. Zijn er bepaalde havengebruiken, verhalen van dokwerkers of tradities die je wilt behouden in je “hybride apparatuur”? Het havengebied van Recife zou de oorsprong zijn van de Frevo en Maracatu, lokale muziek en dans. Op welke manier biedt jouw ontwerp ruimte voor deze straatcultuur, zodat het niet alleen een “mooi plaatje” is?

Jouw perspectief op de haven van Recife doet me denken aan een zogenaamde uitspraak van Oscar Niemeyer: “De architectuur is slechts een invalshoek. Wat telt is het leven, wat telt is de mens.” Hoewel zijn modernisme soms leidde tot losstaande iconen, lijkt jouw project juist de ‘stadsstof’ te willen herstellen die hij soms achterwege liet. Is het in een land met een sterke modernistische achtergrond lastig om mensen te overtuigen van een compacte stad met kleine straatjes en levendige gevels in plaats van de glimmende torens die momenteel het stadsbeeld domineren? Ik ben erg benieuwd naar de manier waarop de lokale gemeenschap, waaronder de inwoners van Pilar, wordt betrokken bij jouw plannen om te voorkomen dat hun geschiedenis slechts een decoratief element wordt in een gentrificatieproces.

Weer kijk ik uit naar je antwoord!

Je penvriendin, Eve

DENILSON RAFAEL

To my Pen Pal,

Dear Eve,

What a joy to find you again in these lines. I confess your letter kept me thinking for days, because you did exactly what I love most about an exchange like ours: the idea of trading views, knowledge and provocations (in the good sense, haha). When I read that Dutch has the word “vervlakking” for what I called “Urbanalization”, I found it fascinating. “Flattening”, the loss of depth and character. That’s exactly it!

You asked me how my “floodable parks” work, and I want to be honest about one thing first: here in Recife this idea is still taking its first steps, and that is precisely what makes it interesting. The concept behind it is the “sponge city”, by the Chinese architect Kongjian Yu, who sadly passed away last year, the victim of an accident here in Brazil. Some friends of mine were at the Architecture Biennial, in the State of São Paulo, and had the chance to meet him and even take some photos with him, an irreplaceable loss. His critique resonates deeply with our reality: channelling and piping rivers was a solution designed for temperate countries, with moderate rainfall, and not for tropical cities like Recife, which get torrential, concentrated downpours. Instead of draining the water away as fast as possible, the logic is the opposite: to hold, slow down and return the water gently to the soil and to the river. Technically, these parks work as retention basins: they stay dry most of the year, become leisure space for the neighbourhood, and only accumulate water during heavy rains, releasing it bit by bit afterwards.

Recife opened its first real floodable parks not long ago, the first one in 2024, on the bank of the Tejipó river, in one of the most socially vulnerable areas of the city. But there was also an emblematic case of how NOT to do it: the Tamarineira Park, which the city government opened and which flooded in the very first rains. The administration tried to sell it as if it were a planned “floodable area”, but the experts were blunt: it flooded, it was not designed to flood. The difference is everything. A real floodable park requires study of the soil, of permeability, of topography, and even of vegetation, because there are plants that boost infiltration and others that cannot stand sitting in waterlogged ground. This speaks directly to what you described about Belgium, those “water-sensitive green areas” where only agriculture, nature and forest are allowed, with no new building permits. You shielded the water-storage capacity by law. Here we are still learning, the hard way, that water has a dynamic of its own and that going against it is to bury yourself. I got curious about something you mentioned in passing: the reopening of the “culverted streams” in Belgium for cooling. In Recife we did the opposite, we channelled and buried our streams, and today we are paying the bill. How does it work in practice, bringing a stream back to the surface over there? Is it something the population accepts well, or is there resistance because of the urban space it “steals” from the built city?

Your question about how a building in Recife keeps cool without the “glass walls” was spot on, and, fittingly, you yourself already brought the answer: the cobogó. This perforated element, which you remembered so well, is one of the greatest legacies of our tropical modern architecture, precisely the opposite of the glass tower that cooks from the inside and needs air conditioning all day long. The cobogó lets the wind through, filters our harsh sunlight and casts a living shadow on the façade. I loved the parallel you drew with your Conservation-Restoration studies: your lime mortar, your hand-moulded bricks, they “breathe”, while modern cement suffocates the old wall, cracks it, traps moisture. The cobogó, created here, is much loved for its versatility in look, form and use. Major projects, such as this year’s ArchDaily International winner, were by Zé Vagner, from here in Pernambuco, who renovated his mother’s house and brought in the idea of the cobogó working as cross ventilation, which produced an effect of light and shadow I can’t even measure. If you’d like to see it, just google “Casa de Mainha”, that’s the name of the incredible project.

Reaching another layer of our letter, hahaha… The Port of Recife sits inside an island, the Bairro do Recife, which is the neighbourhood that gave birth to the city. It is not just a port: it is an island full of socio-territorial fragments, with a port and commercial vocation, that only became a cultural hub in the 20th century, when bohemia arrived, and with it the sailors and the courtesans who filled that nightlife. You asked about the intangible heritage, and it is huge: the area is the cradle of frevo and maracatu, which were born right next to the port. One of my premises, beyond the morphological stitching of the urban fabric, is exactly to connect these cultural spaces. Because today the port’s territory is a closed yard, with private access, disconnected from the island, with very little access to the waterfronts. It is what Kevin Lynch calls a fragmentary edge, where the landscape is obstructed by elements and we cannot take it in as a whole.

And here comes the point that perhaps answers your question about gentrification. In 2014, the port did something important: it leased its idle plots for tourist and cultural use. And the result was tremendous vitality, a positive and concrete change in the landscape once they requalified the warehouses. Today the non-operational part of the port houses the Cais do Sertão Museum, Accenture, a well-regarded technology company, the maritime passenger terminal, and so on. In other words, the port has already proven to itself that this initiative works. For me that is essential, because I am not proposing a fantasy, I am proposing to expand a logic that the territory itself has already tested and approved. Drawing on the study of the Île de Nantes, in France, I aim for a housing mix in which different social classes are included, and a service mix in which not only the technological anchor is served, but in which the port’s current uses also remain, like the arrival of cruise ships and a cultural use for the silos.

But I am not naive, and that is why your provocation about the Pilar touches me so much. SDG 11 advocates affordable housing, inclusive urbanization, protection of cultural heritage and the reduction of environmental impact, and I like to think of it not as a distant target in a report, but as a ruler to measure whether my project is serving the city or only the market. I studied the great urban beautifications, like Baltimore in the United States and Porto Maravilha in Rio de Janeiro, and the conclusion is: they are insufficient to solve the housing question and the real regeneration of a layer of the city. They become postcards and push the poor to the margins. Even more so when it comes to something as singular as the Pilar community. And here SDG 11 and Lefebvre complement each other, because this is why I identify with Lefebvre and what he calls the right to the city, which for him is not only the right to come and go through the territory, but the right to act as a participant in the decisions about space, in the production of the territory and in tangible change. You asked how I involve the community so that their history doesn’t become a decoration. My answer, still a work in progress, is to bring interviews and the views of the Pilar residents themselves into the project. On the occasions I spent in the community, I met former port workers, people who carry the living memory of that place. The port’s management is idle today, but I have hope that change will come. I won’t tell you I’ve already solved this, that would be dishonest. It is the hardest knot in my work.

As for your question of whether it is hard to convince a country with a modernist tradition to accept the compact city, of narrow streets and lively façades, instead of the gleaming towers: it is, Eve, very much so. The gleaming tower sold itself as progress, and today the legacy of that is the so-called “podium building” I told you about, with four floors of parking and a dead ground floor, no shops, no eyes on the street. Convincing people that the scale of the pedestrian is worth more than the view from the 30th floor is a cultural battle, not just a technical one.

Finally, I was really glad about the Belgian rental system you described, in which private initiatives receive a subsidy or loan to create quality, affordable housing, mixing social, affordable and traditional rentals in the same project. It made me want to understand it better: in these mixed projects in Belgium, do the different income brackets really live together in the same building, or do they end up separated by block, by entrance, by floor? I ask because the greatest fear of anyone who studies housing here is that “mixed” becomes just a pretty word on paper, with the poor in one corner and the rich in another, never crossing paths on the stairs.

Eve, this exchange has been an enormous pleasure. I began these letters thinking I would be telling someone far away about Recife, and I finish feeling that Antwerp and Recife talk to each other all the time, about water, about memory, about the right to belong to a place without asking the real-estate market for permission. You have a passion for what you study that overflows onto the page, and I have no doubt you will be brilliant in whatever you do. I find myself eager to keep in touch beyond the letters.

Sorry for my mistakes in English, I’m still improving haha

A hug, Denilson.