Hurk in de warme weide en zie de wereld zoals een korenbloem. Of waad door een poel als een glaskikker. In Tongval van het verdwijnen laten de Klimaatdichters je in de huid kruipen van bedreigde dier- en plantsoorten. Het was daarbij een grote uitdaging om het menselijke standpunt los te laten, vertelt Anke Verschueren ons. De alumna taal- en letterkunde* waagde zich voor haar gedicht aan de discomoves van de Antarctische dansmug.
Anke Verschueren: De Klimaatdichters zijn in 2020 ontstaan uit de internationale beweging Poets for the Planet. Moya De Feyter zette een Vlaams-Nederlandse versie op door een heleboel mails uit te sturen naar schrijvers die interesse konden hebben om een poëziebeweging te starten die zich inspant voor een leefbare wereld voor iedereen. Zo kwam ik er al vanaf het begin bij.
Er was meteen een enorme interesse, waardoor we uiteindelijk meer dan honderd gedichten opnamen in onze eerste bundel Zwemlessen voor later. We deden geen strenge selectie, want we wilden net de veelheid tonen van al die mensen die klimaatdichter wilden worden en ook de grote variatie in hun poëzie, van natuurlyriek tot activistische gedichten. Ondertussen is de beweging nog erg gegroeid: zeker elke week melden nieuwe dichters zich aan.

Na de eerste bundel maakten we twee voorstellingen en landschapskunst, waar dan weer nieuwe gedichten uit voortkwamen. Door die projecten en de gesprekken die we errond voerden, ontstond een soort fascinatie voor het niet-menselijke perspectief: hoe kunnen we schrijven en nadenken vanuit dit oogpunt? Zulke talige en filosofische vragen hebben dan geleid tot de nieuwe bundel Tongval van het verdwijnen.
Hoe speelden die vragen over je verplaatsen in een dierlijk of plantaardig onderwerp mee tijdens het schrijven van de gedichten?
De bundel bestaat uit 50 gedichten: we benaderden een reeks dichters om een bijdrage en vulden die verzameling aan via een open call onder de Klimaatdichters zelf. Op onze vraag om mee te doen kregen we trouwens enkele keren een nee, maar om tegengestelde redenen. De ene vond het bijna arrogant dat we dachten in staat te zijn om ‘een stem te geven’ aan andere soorten dan mensen, terwijl de andere het net vanzelfsprekend vond dat dichters zich in alles en iedereen kunnen verplaatsen.
wat denk je dat ik denk, dichter
wat denk je in godsnaam te wetenUit: Sophia Blyden – “Spetter pieter pater”
De dichters die wel hebben meegewerkt aan de bundel, wilden een zekere nederigheid behouden. Daarom vonden we het belangrijk om via dit essay ruimte te geven aan de complexe filosofische, antropologische en ecologische vraagstukken waarop we botsten bij het schrijven. We vroegen iedereen om ook hun aanpak en ervaringen te documenteren. Daaruit bleek dat sommigen documentaires hadden gekeken en wetenschappelijke info verzameld, omdat zij het gevoel hadden dat ze anders niet gerechtigd zouden zijn om iets over die soorten te zeggen. Anderen zochten net een soort meditatieve toestand op om bijvoorbeeld een paardenbloem tot hen te laten spreken, wat bijna een spirituele ervaring werd.
Terwijl de ervaringen van de dichters dus heel individueel waren, stelden we wel patronen vast toen we ze naast elkaar legden. Hoe blijven we bijvoorbeeld niet te hard hangen in onze menselijke ervaringen van de wereld? Hoe laat je een soort zich uitdrukken in onze mensentaal? Uit alle teksten over de schrijfervaringen en de gesprekken met het kernteam heb ik de grote thema’s gedestilleerd, die ik in het essay als ‘hordes’ heb benoemd.
Tegen welke horde liep jij vooral op?
Ik heb lang gezocht naar een ingang om aan het gedicht te beginnen. Al snel wist ik dat ik wou schrijven over de Antarctische dansmug, want ik ben heel dicht bij Antarctica geweest toen ik 3 maanden door Chili trok. Daardoor las ik ergens dat dit insect van 3 millimeter groot het grootste landdier op Antarctica is. Ik haat muggen, dus was dit een goede aanleiding om als klimaatdichter me het lot van de mug toch enigszins aan te trekken. Ook al zijn die dansmuggen een heel stuk onschuldiger, want ze steken niet en hebben niet eens vleugels.
Pas toen ik een artikel las waarin een wetenschapper het ontpoppen van de muggenlarven beschreef als een soort discotheek, sloeg mijn verbeelding aan. Die jonge muggen gaan door elkaar krioelen om een partner te zoeken op basis van geur en ja, dat lijkt net een waanzinnig dansfestival.
het gaat niet om elegantie, wij
dansen
met hoogdringendheidUit: Anke Verschueren – “Bestaan om zo snel mogelijk te verdwijnen”
Die beeldspraak vond ik ook wel confronterend: blijkbaar kan ik me toch pas inleven als het om een menselijke ervaring gaat. Om diezelfde reden heb ik nu spijt van de titel “Bestaan om zo snel mogelijk te verdwijnen”. Wij kunnen wel vinden dat die 5 à 7 dagen waarin een dansmug leeft kort is, maar zo ervaart die mug dat natuurlijk niet. En moet een zeeschildpad van 150 jaar dan ook niet denken: ‘die mensen zijn er wel heel snel vandoor’?
Ik las dat de Indiase schrijver Amitov Ghosh klimaatverandering een “crisis van de verbeelding” noemt omdat mensen zich de grote gevolgen ervan niet kunnen voorstellen. Kan literatuur hierbij helpen?
Ik geloof van wel, anders was ik geen Klimaatdichter geworden. Reportages over dat toekomstbeeld blijven vaak abstract. Ook al is poëzie op haar manier dat evengoed, het verschil is dat zij er beter in slaagt om te raken.
Ik zie eerder een crisis van de empathie en dat hebben we met deze bundel willen bestrijden. In de eerste plaats door onbekende soorten een stukje van mensen hun wereld te laten worden. Van de 50 soorten die in de bundel staan, had ik er van 42 nog nooit gehoord, terwijl die allemaal in nood zijn en de aandacht dus goed kunnen gebruiken.
Ten tweede kan poëzie met één goed gekozen beeld ontroeren. Zo denk ik aan de laatste regels van Geert Buelens’ gedicht vanuit het perspectief van de blauwe korenbloem, die wordt bezongen in een oud kleuterliedje. Ik weet niet waarom, maar deze regel raakte me meteen.
Wat kan een kleuter
dan nog
wat is september zonder
ons?Uit: Geert Buelens – “Korenbloemen blauw”
Een derde aspect is dat poëzie de zintuigen activeert. Het is taal die je met het hele lichaam verwerkt. Deze bundel zindert van het leven, ook dankzij de prachtige illustraties van Babette Wagenvoort, die de leefwerelden van de soorten vanuit hun blikveld tekende.
Hoe vermijden jullie dat lezers weerzin voelen bij dit zware onderwerp?
We leggen de focus op de kunst van het poëzie schrijven. Ja, onze gedichten gaan over zware onderwerpen zoals verdwijnende soorten, maar ze zijn geen pamfletten. We zoeken een goede verhouding tussen angst en hoop, waar ik soms wel mee worstel als we tijdens een boekvoorstelling verkleed de polonaise zitten te dansen. Dat is dan supervrolijk, terwijl de situatie dat niet per se is.
Ook over de titel hebben we lang nagedacht. We geven een stand van zaken: de verdwijning van soorten is omvangrijk en onheilspellend en de mens draagt daar onmiskenbaar aan bij. Die feiten zijn natuurlijk niet echt om vrolijk van te worden, maar via de poëzie komen we dichter bij die verdwijnende dieren en planten, waardoor we meer om hen** kunnen gaan geven. Onze literatuur voegt een beetje schoonheid toe aan de pessimistische waarheid. Hopelijk kunnen de lezers via de mooie taal van de gedichten een beetje meer openstaan voor alle verscheidenheid in de natuur.
Voor deze gedichten in de bundel heeft Anke zelf een boontje
🌳 Ik ben blij dat we erin geslaagd zijn om ook een paar teksten met humor te hebben. Zoals de bloedpad van Sophia Blyden die zegt “Never have I ever been kissed by a human”. Die pad is supergiftig, dus moet je echt niet met je lippen aanraken.
🌳 Joke Van Leeuwen heeft in haar gedicht gespeeld met de klanken die bonobo’s maken, terwijl Moya De Feyters werk er ook vormelijk uitziet alsof het door een kikker wordt uitgekwaakt.
🌳 Het gedicht van Vrouwkje Tuinman was een verrassing voor mij toen ze het voorlas tijdens de boekvoorstelling in Utrecht. Ik had het dramatisch en triest opgevat, maar zij las het net ironisch voor. Alsof het wildemanskruid een irritant individu was. Heel grappig hoe iets op papier toch heel anders kan overkomen dan bedoeld.
Meer weten
🌱 Tongval van het verdwijnen: Gedichten vanuit niet-menselijk perspectief (Pelckmans, 2026)
* Anke Verschueren is lang niet de enige oud-student die aan de bundel bijdroeg: oprichter Moya De Feyter (alumna theater- en filmwetenschap), Leonie Moreels, Maud Vanhauwaert (beiden taal- en letterkunde) en Shari Van Goethem (wijsbegeerte) studeerden allen aan deze faculteit. Ook filosoof Nele Buyst en vroegere doctorandus Tijl Nuyts schreven een gedicht.
**De Klimaatdichters maakten in hun bundel de keuze om op dezelfde grammaticale manier naar dieren en planten te verwijzen als naar mensen, dus met “hen” in plaats van “ze”.

