Auteur: Chris Dielis (Coördinator armoedevereniging T’ANtWOORD)
Armoede en voedselonzekerheid blijven een structurele uitdaging in België. In 2025 leefde 16,5% van de bevolking met een risico op armoede of sociale uitsluiting, goed voor meer dan 1,9 miljoen mensen. In datzelfde jaar ontvingen ruim 200.000 mensen maandelijks voedselhulp. Wanneer ook sociale kruideniers, voedselpakketten en sociale restaurants worden meegerekend, gaat het naar schatting om 600.000 personen die op voedselondersteuning aangewezen zijn.
Deze cijfers maken één ding duidelijk: voedselonzekerheid is geen randfenomeen, maar een structureel symptoom van ontoereikende inkomens en onderbescherming.
In een welvaartsstaat als België, waar het recht op een menswaardig leven en sociale zekerheid via artikel 23 grondwettelijk zijn vastgelegd, roept de aanhoudende voedselonzekerheid fundamentele vragen op. Waarom slagen we er niet in om het recht op voedsel als afgeleid sociaal grondrecht te realiseren via inkomensbescherming en sociale rechten?
In deze blogbijdrage stellen we het solidair winkelsysteem voor dat armoedevereniging T’ANtWOORD in samenwerking met andere partners ontwikkelde. Dit solidair winkelsysteem wil een alternatief bieden voor de klassieke vormen van voedselondersteuning door gezinnen toegang tot voedsel te bieden via een maaltijdchequekaart.
De normalisering van noodhulp
Voedselhulp vervult vandaag een dubbele rol. Ze is voor veel gezinnen onmisbaar om de maand door te komen, maar tegelijk maskeert ze structurele tekorten in het sociale beschermingssysteem. Wat ooit bedoeld was als noodinstrument, is in veel steden uitgegroeid tot een vast onderdeel van het lokale armoedebeleid. Lokale besturen komen hierdoor steeds vaker in een compenserende rol terecht, waarbij zij via noodhulp proberen bij te sturen wat op federaal en Vlaams niveau onvoldoende wordt opgelost.
Voedselhulp wordt vandaag in grote mate gedragen door vrijwilligers en middenveldorganisaties die zich vanuit solidariteit en engagement inzetten om acute noden op te vangen. Hun inzet is van onschatbare waarde en vaak het laatste vangnet voor mensen die elders geen toegang vinden tot ondersteuning. Tegelijk maakt deze groeiende inzet zichtbaar hoe hardnekkig structurele inkomensproblemen blijven bestaan.
Wanneer voedselhulp steeds meer een structurele plaats krijgt in het armoedebeleid, dreigt ze ongemerkt een vervanging te worden voor afdwingbare sociale rechten. De aandacht verschuift dan van inkomensgarantie en sociale bescherming naar materiële ondersteuning, van rechten naar hulp, en van automatische bescherming naar selectieve correcties achteraf. In termen van sociale grondrechten schuurt dit met het uitgangspunt dat iedereen recht heeft op een menswaardig bestaan dat niet afhankelijk mag zijn van liefdadigheid of goodwill.
Voor mensen in armoede heeft dit concrete gevolgen. Voedselbedeling gaat vaak gepaard met schaamte, verlies aan autonomie, beperkte keuzevrijheid en zichtbaarheid van hun kwetsbaarheid. Het raakt rechtstreeks aan menselijke waardigheid, die nochtans een kernbegrip is in zowel het Belgische Grondwettelijk kader als internationale mensenrechtenverdragen.
Tegen deze achtergrond groeit de nood aan alternatieven die voedselondersteuning herdenken vanuit waardigheid, autonomie en sociale grondrechten. Daarbij is het belangrijk te benadrukken dat ook nieuwe modellen, zoals het solidair winkelsysteem dat we hier voorstellen, geen pasklare of definitieve oplossing bieden. Ze mogen geen opstap worden naar een systeem waarin structureel ontoereikende inkomens worden gecompenseerd via voedselbonnen naar Amerikaans voorbeeld. De ambitie blijft duidelijk: voedselondersteuning moet een tijdelijke en aanvullende hefboom zijn, geen structureel alternatief voor een volwaardig inkomen en toegankelijke sociale bescherming.
Een alternatief in Turnhout: het solidair winkelsysteem
Vanuit die realiteit ontwikkelde armoedevereniging T’ANtWOORD, in samenwerking met Stad Turnhout en een breed partnerschap van middenveld- en private actoren, een solidair winkelsysteem met maaltijdchequekaarten. Dit initiatief vertrekt expliciet vanuit een andere beleidslogica. Niet voedsel als gift, maar voedseltoegang als tijdelijke inkomensversterking, ingebed in ondersteuning en rechtenverkenning.
Het systeem biedt gezinnen en alleenstaanden met een inkomen onder de armoedegrens gedurende zes maanden – in specifieke situaties twaalf maanden – een maandelijks bedrag op een maaltijdchequekaart. Zij kunnen hiermee boodschappen doen in een winkel naar keuze, op dezelfde manier als elke andere consument.
Deze keuze is fundamenteel: het herpositioneert voedselondersteuning weg van een apart circuit en plaatst mensen opnieuw in het reguliere consumptiesysteem. Dat herstelt autonomie, privacy en participatie; centrale bouwstenen van sociaal burgerschap.
De financiering combineert een heroriëntering van bestaande lokale overheidsmiddelen voor voedselhulp met solidaire bijdragen van bedrijven en burgers, waardoor een gedeelde verantwoordelijkheid ontstaat.
De proeftuin: wat werkte in de praktijk?
Tussen december 2024 en december 2025 werd het systeem getest in een proeftuin. In totaal namen 59 gezinnen deel, samen goed voor 269 personen. Het ging hoofdzakelijk om gezinnen met kinderen, vaak met één werkende ouder en een instabiel inkomen. Opvallend: het merendeel had een band met de arbeidsmarkt, maar leefde ondanks werk onder de armoedegrens. Daarmee bevestigt de proeftuin een bekende, maar ongemakkelijke realiteit: werk is geen garantie tegen armoede zolang lonen en sociale bescherming ontoereikend zijn.
Cruciaal is dat het systeem zich richtte tot mensen die (nog) niet gekend zijn bij het OCMW. Net deze groep valt vaak tussen de mazen van het net: ze hebben te weinig inkomen om rond te komen, maar geen automatische toegang tot aanvullende steun. Vanuit een rechtenperspectief is dit een duidelijke vorm van onderbescherming.
Ervaringen van deelnemers: kleine bedragen, grote betekenis
De maaltijdchequekaart werd door deelnemers ervaren als discreet, comfortabel en gebruiksvriendelijk. Omdat ze werkt als een gewone betaalkaart, verdwijnt het stigma van voedselhulp. Niemand ziet aan de kassa dat iemand ondersteuning krijgt. Dat eenvoudige gegeven had een grote impact op het gevoel van waardigheid en normaliteit.
De grootste meerwaarde lag in de keuzevrijheid. Deelnemers konden zelf bepalen wat ze kochten, waar en wanneer. Ze kochten verse producten, voeding afgestemd op hun kinderen, gezondheid of culturele voorkeuren; producten die in klassieke voedselbedeling vaak ontbreken. Ook praktisch bood het systeem voordelen: geen wachtrijen, geen openingsuren, geen zware pakketten.
Het maandelijks bedrag, dat afgestemd was op de effectief beschikbare middelen, was beperkt maar zorgde wel voor ademruimte, vooral op het einde van de maand. Die ademruimte is niet louter materieel. Ze verlaagt stress, creëert rust en vergroot de mentale ruimte om met andere problemen aan de slag te gaan. In termen van sociale grondrechten gaat het hier niet enkel om middelen, maar om het herstel van handelingsvrijheid en eigen regie.
Rechtenverkenning als kern van het model
Essentieel in het solidair winkelsysteem is de koppeling met rechtenverkenning. Bij de instap werd samen met de deelnemer een budgetberekening gemaakt op basis van referentiebudgetten (geprijsde korven van goederen en diensten die gezinnen minimaal nodig hebben om aan de samenleving te participeren). De meeste deelnemers ervaarden dit gesprek als logisch en fair, op voorwaarde dat het gebeurde zonder bewijslast en in een vertrouwensrelatie.
Die budgetoefening maakte onderbescherming zichtbaar en vormde de basis voor verdere stappen: het aanvragen van verhoogde tegemoetkomingen, huur- en energiepremies, het aanpassen van energiecontracten, of doorverwijzing naar opleiding, werk of gespecialiseerde hulpverlening. De maaltijdchequekaart fungeerde daarbij als hefboom, niet als vervanging van rechten.
Ook voor hulpverleners bood het systeem meerwaarde. Het gaf een objectief kader om financiële gesprekken te voeren en versterkte de samenwerking tussen begeleiding, inkomensondersteuning en andere levensdomeinen.
Maaltijdcheques of voedselbedeling?
Een belangrijk resultaat uit de proeftuin is dat 86% van de deelnemers het systeem van maaltijdcheques verkiest boven klassieke voedselhulp. De redenen zijn veelzeggend: keuzevrijheid, anonimiteit, waardigheid en flexibiliteit. Slechts 14% verkiest voedselbedeling, en dat uitsluitend om financiële redenen: de hoeveelheid producten ligt daar hoger.
Dit resultaat legt een normatieve keuze bloot in het beleid. Mensen vragen vooral om méér autonomie. Wanneer het bedrag op de kaart verhoogd wordt, verdwijnt ook dit laatste argument voor voedselbedeling grotendeels.
Wat zegt dit over armoedebeleid en sociale grondrechten?
De Turnhoutse proeftuin toont dat waardige voedselondersteuning mogelijk is, zonder zware logistiek of stigmatiserende structuren. Ze toont ook de grenzen van elk systeem dat structurele tekorten moet compenseren. Zolang minimuminkomens, leefloon en lage lonen onder de armoedegrens blijven, zal voedselondersteuning nodig blijven, hoe goed georganiseerd ook.
Het solidair winkelsysteem schuift de logica wel op: van liefdadigheid naar rechten, van goederen naar inkomen, van noodhulp naar beleidshefboom. Het maakt zichtbaar dat voedselonzekerheid geen individueel falen is, maar een gevolg van politieke en beleidsmatige keuzes.
De echte structurele oplossing ligt dan ook niet in het verfijnen van voedselhulp, maar in inkomensversterking, automatische rechtentoekenning en een sociale bescherming die toelaat om het recht op voedsel daadwerkelijk te realiseren.
Tot slot
Het solidair winkelsysteem is geen eindmodel, maar een beleidsleeromgeving. De Turnhoutse proeftuin was bewust kleinschalig en betrof een beperkte groep gezinnen. Dat maakt de resultaten niet allesomvattend, maar wel betekenisvol. Ze bieden waardevolle inzichten in hoe voedselondersteuning anders kan worden georganiseerd. Tegelijk onderstrepen ze het belang om deze aanpak ook in andere steden en gemeenten verder te onderzoeken en met een bredere en diverse groep mensen uit te testen.
De opgedane inzichten nodigen uit tot een fundamentele vraag: willen we armoede blijven beheren via noodinstrumenten, of durven we sociale grondrechten opnieuw centraal te stellen? Verdere proeftuinen en lokale experimenten kunnen helpen om deze vraag scherper te beantwoorden en om te onderzoeken onder welke voorwaarden dergelijke modellen schaalbaar en duurzaam zijn.
Zolang voedselhulp nodig is, moeten we ze zo menswaardig mogelijk organiseren. Maar echte vooruitgang ligt pas daar waar voedselhulp overbodig wordt, omdat iedereen beschikt over voldoende en stabiel inkomen om autonoom in zijn basisbehoeften te voorzien. Dat is geen kwestie van efficiëntie, maar van politieke en maatschappelijke verantwoordelijkheid.
Meer lezen
De inzichten uit deze proeftuin zijn uitgebreider beschreven in onze aanbevelingsnota “Een solidair winkelsysteem, van noodhulp naar structurele armoedebestrijding”. Daarin gaan we dieper in op de resultaten, randvoorwaarden en beleidsimplicaties van deze werking. De nota is via deze link beschikbaar.
Contact: Chris Dielis – chris.dielis@tantwoord.be
Afbeelding van Victoriano Izquierdo via Unsplash

