Rudolf Gevers

1924-1985

Academische loopbaan

Aangeleverd via EFUA 6/1/2026

Rudolf Gevers (Lier 08/01/1924 – Antwerpen 04/08/1985) was licentiaat in de Wiskunde (1947) én in de Natuurkunde ((1952); hij behaalde beide diploma’s aan de Rijksuniversiteit Gent (RUG). In de periode 1947-1952 gaf hij les aan het Koninklijk Atheneum (eerst in Deurne, later in Gent). Zijn wetenschappelijke loopbaan begon in het Laboratorium voor Kristallografie en Studie van de Vaste Stof aan de RUG, waar hij van 1953 tot 1956 als assistent werkte, en in 1955 ook een doctoraat in de Wetenschappen (groep Natuurkunde) behaalde o.l.v. prof. W. Dekeyser. De titel van zijn dissertatie was X-stralen diffractie door dicht gestapelde kristallen met ’stapelfouten’<. In de periode 1956-1960 was hij docent aan de Universiteit van Elisabethstad. Teruggekeerd naar België werkte hij van 1/9/1960 tot 30/9/1966 als onderzoeker in de afdeling Vaste Stof en Materiaalkunde van het Studiecentrum voor Kernenergie (SCK) in Mol. In 1962 werd hij aangesteld als buitengewoon docent aan de VUB, waar hij in 1972 nog bevorderd zou worden tot buitengewoon hoogleraar.

In oktober 1966, kort na de oprichting van het Rijksuniversitair Centrum Antwerpen (RUCA), werd hij daar benoemd tot gewoon hoogleraar, titularis van het vak Analytische mechanica, dat destijds gold als één van de hoofdvakken voor de kandidaturen Wis- en Natuurkunde. Deze functie, gecombineerd met een leeropdracht aan de VUB en onderzoek aan het SCK zowel als aan het RUCA, heeft hij uitgeoefend tot zijn onverwachtse overlijden op 4 augustus 1985.

Onderwijs

Als eerstekandidatuurstudent in1968 hoorde ik vanuit Leuven en Gent nogal sterke gruwelverhalen over professoren die in hun lessen niet veel nuttigs te vertellen hadden maar die erop uit waren zoveel mogelijk studenten te ‘buizen’. Aan het RUCA bleek dit echter best mee te vallen. De professoren, i.h.b. Gevers, waren geen tirannieke bejaarden zoals in de studentikoze toogpraat, maar eerder jonge, vernieuwingsgezinde mensen die geen onderdanige gehoorzaamheid eisten. Ze waardeerden bv. kritische vragen over hun lessen, want daardoor wisten ze dat we erover nadachten. Die frisse kijk op universitair onderwijs kwam ook tot uiting in hun principiële afwijzing van de traditionele plechtstatigheid waarmee de ‘gevestigde’ universiteiten hun openbare academische activiteiten omringden: aan het RUCA geen toga’s en al helemaal geen ‘stoet’ om een nieuw academiejaar in te leiden!

Gevers’ lessen waren ongemeen boeiend. Hij praatte rustig en duidelijk maar nooit eentonig, met een perfecte beheersing van de materie die hij behandelde en die hij ook, schrijvend terwijl hij sprak, weergaf in overzichtelijke notities op het bord. Hij streefde ernaar, van elke les een samenhangend betoog te maken, dus niet alleen feitelijke kennis over te brengen maar de studenten ook te overtuigen van de waarheid ervan. Dit realiseerde hij o.a. door de essentiële berekeningen in detail op het bord uit te voeren. Hij doceerde dan wel ex cathedra, maar met een aanstekelijke geestdrift die ons motiveerde om zelf verder na te denken over de lessen.

Bij de studenten was die geestdrift mee te danken aan de (ongebruikelijke) wijze waarop hij de leerstof behandelde. Mechanica was al lang een standaard-onderdeel van de opleidingen Wis- en Natuurkunde. De meeste handboeken volgden, in de Angelsaksische traditie, een inductieve aanpak: vertrekkend van de wetten van Newton (als empirisch gegeven) leidt men hieruit algemenere resultaten af, zoals de klassieke behoudswetten voor een ‘afgesloten stelsel van interagerende lichamen’. Gevers daarentegen verkoos de deductieve aanpak van het lagrangeformalisme dat vertrekt vanuit een axioma, het zgn. principe van de minste actie, waaruit dan de algemene behoudswetten en de wetten van Newton worden afgeleid. Die strategie vereiste weliswaar een veel grotere voorkennis van wiskundige begrippen en technieken, die hij dan ook zelf moest aanbrengen. Aldus bestond ruim 2/3 van de cursus in het eerste jaar uit een doelgerichte collectie van wiskundige hulpmiddelen waarmee uiteindelijk de intrinsieke elegantie van het lagrangeformalisme en zijn verdere toepassingen, optimaal tot haar recht kwam. Overigens zijn die hulpmiddelen ook achteraf nog nuttig gebleken voor velen onder ons.

Tijdens gesprekken met collega’s in Leiden, Cambridge en Parijs, zowat 30 jaar later, bleek dat zijn aanpak van de cursus Analytische mechanica werkelijk uniek was. Bovendien herwerkte hij die elk jaar om interessante elementen toe te voegen en de bestaande tekst verder te verfijnen en te veralgemenen. Het lijdt geen twijfel dat dit langetermijnwerk uiteindelijk zou hebben geleid tot een zeer origineel handboek voor Theoretische mechanica.

Onderzoek

Na zijn aanstelling als hoogleraar bleef Gevers actief betrokken bij het Departement Vaste Stof en Materiaalkunde van het SCK, maar daarnaast deed hij ook onderzoek aan het RUCA, in samenwerking met de twee assistenten (doctorandus of postdoc) die hem waren toegewezen. Hij werkte zuiver theoretisch; men kan stellen dat hij en Amelinckx, bij uitstek een experimentator, samen een perfecte tandem vormden in het vastestofonderzoek: in de periode 1960-’85 waren ze beiden medeauteur van meer dan 40 publicaties.

De besprekingen in zijn ‘Dienst’, zoals dat toen genoemd werd, begonnen doorgaans als een gezamenlijke koffiepauze, zodra ‘de prof’ na een les of een vergadering arriveerde. Vervolgens evolueerde het gesprek naar een wetenschappelijke discussie, meestal met veel rekenen op het bord, dat toen nog tot de standaarduitrusting van een universitaire werkkamer behoorde. Die discussie kon erg heftig worden maar was uiteindelijk steeds vruchtbaar omdat elk van ons, hoe koppig ook, toch het gezag van correcte argumenten erkende.

Voor zover ik weet werd zijn keuze van onderzoeksvragen niet bepaald door een constant leidmotief maar door het feit dat hij graag inging op nieuwe intellectuele uitdagingen. Die vond hij vooral bij de collega’s in zijn werkomgeving. Als iemand bijvoorbeeld vertelde over een nog onverklaard fenomeen dat in een experiment was gezien, dan vroeg hij als fysicus meteen of dit voldoende herhaalbaar was om onderzocht te worden terwijl hij als wiskundige zich afvroeg of men het kon abstraheren. Vooral dit laatste was doorslaggevend, want een oplossing zoeken, enkel voor een concreet probleem in specifieke omstandigheden, boeide hem niet. Meestal stond er dus al een volgende onderzoeksvraag te wachten, wanneer een lopend project bijna was afgerond en niet langer zijn volledige aandacht opeiste. Op die manier speelde ook zijn werkomgeving een rol in de selectie: zo ondernam hij, nog aan de RUG, een studie over ladingstransport in halfgeleiders en een andere over kristalgroei volgens het Kosselmodel: twee onderwerpen die vrij ver verwijderd waren van elkaar en van zijn doctoraatswerk.

Veel macroscopische eigenschappen van een geordende vaste stof worden bepaald door de structurele imperfecties ervan: poriën, dislocaties, stapelfouten, tweelingen etc. Vanaf begin jaren ’60 in de afdeling Vaste Stof en Materiaalkunde van het SCK, alsook later aan het RUCA, werd de transmissie-elektronenmicroscopie (TEM) de belangrijkste techniek om die lokale afwijkingen in detail te bestuderen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat veruit de meeste van Gevers’ publicaties hieraan gerelateerd waren. Hij verrichtte i.h.b. baanbrekend werk voor de verklaring en de interpretatie van complexe diffractiepatronen en microscopische beelden. Naar sommige van die publicaties wordt tot op heden nog steeds verwezen.

In 1984, op zoek naar nieuwe praktijkvoorbeelden voor zijn cursus, vroeg hij zich af of recente ontwikkelingen in de analytische mechanica zouden kunnen helpen om de structurele evolutie van sterrenhopen en interstellaire materie beter te begrijpen. Toevallig in die periode werd een nieuwe assistent aangeworven die zijn licentiaatsonderzoek had verricht in de astrofysica en graag op dit terrein verder wilde werken. Na grondig overleg besloten we daarop in te gaan en met de doctorandus een onderzoek in verband met de dynamica van stervormingsgebieden op te starten. We begonnen enthousiast de literatuur hierover te bestuderen.

Helaas is Gevers minder dan een jaar later plots overleden, nog vóór we een eerste onderzoeksvraag concreet hadden omschreven. Zijn heengaan betekende een onherstelbaar verlies, zowel voor het onderwijs als voor het embryonale astrofysisch onderzoek aan het RUCA.

Persoonlijkheid

Rudolf Gevers was in alle opzichten trouw aan een diepgeworteld humanisme. Ik heb nooit iemand hem arrogant, autoritair of elitair horen noemen; hij had lak aan sociale status (ook wat hemzelf betrof) en beoordeelde anderen enkel op grond van hun woorden en daden. Hij had een hekel aan administratie en vergaderingen en hoegenaamd geen interesse in academische bestuursmandaten.

Wie hem slechts oppervlakkig kende, kon hem zien als eerder afstandelijk, want ‘een praatje uit beleefdheid’ was aan hem niet echt besteed. Er waren ook mensen tegenover wie hij zich merkelijk koeler gedroeg omdat hij ze kruiperig, schijnheilig, manipulatief, oneerlijk, fanatiek, kwezelachtig of om gelijk welke andere reden irritant vond.

Maar hij was zeker niet asociaal of wereldvreemd. Heel wat mede-supporters van Lierse SK, ATP-leden, oud-studenten en collega’s (althans in de Faculteit Wetenschappen) vonden hem joviaal, eerlijk, breeddenkend en sociaalvoelend. Hij praatte met iedereen even open over politiek of sport als over wetenschap, liefst bij een goed glas bier. In gezelschap was hij er niet op uit om steeds het hoge woord te voeren, maar áls hij over iets een uitgesproken mening had, dan verdedigde hij die meestal wel hardnekkig (en zonder aanzien des persoons, zoals dat heet) totdat iemand zijn ongelijk kon bewijzen met een onweerlegbaar argument, dat hij dan ook sportief aanvaardde.

em. prof. dr. Marc David, FWET, UAntwerpen
Oktober 2025