Louis Van Bladel s.j.

1923-2000

Universiteitsarchief Antwerpen, Fotoarchief UFSIA, archiefnummer 672
Universiteitsarchief Antwerpen, 672

Louis Van Bladel is geboren in Antwerpen op 08 augustus 1923. Hij bracht zijn jeugd door in het hartje van de Sint-Andrieswijk, ook wel de parochie van miserie genoemd. De kruidenierszaak in de Kloosterstraat was zowat het trefpunt voor de buurt. Heeft Louis niet hier de sociale bewogenheid opgedaan die zijn latere leven zo sterk heeft getekend?

Zijn humaniora doorloopt hij in het jezuïetencollege in Turnhout. Hij denkt eraan zijn studie voort te zetten in de ‘sociale sector’ maar volgt zijn broer Frans naar het noviciaat van de jezuïeten in Drongen. Na de traditionele vorming (noviciaat, filosofie en theologie) die gemiddeld zo’n dertien jaar, omspant, “de duur van een hondenleven” grapt men soms, wordt hij naar de Pauselijke Universiteit Gregoriana gezonden waar hij op 29/01/1962 promoveert met een proefschrift over de Duitse idealist Friedrich von Schelling.

Wil je de samenleving begrijpen en mee vormgeven dan moet je te rade gaan bij de denkers van de moderniteit.  Een eerste werk, na zijn aanstelling als professor in de filosofie aan de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen in 1965, gaat over de ‘kerngedachten van Karl Marx’. We zitten midden in de jaren zestig waarbij in het filosofisch discours van die tijd Marx een prominente plaats inneemt. Hoewel deze publicatie hem de bijnaam van ‘rode jezuïet’ oplevert, ging het erbij bij Louis Van Bladel in de eerste plaats om een moeilijk werk toegankelijk te maken. En hoewel hij de kracht van de analyse van het kapitalisme bij Marx erkent, vond hij dat de veranderingen in de samenleving noopten tot herdenken van die negentiende-eeuwse inzichten en heeft hij nooit het reductionisme van het historisch materialisme onderschreven.

Zijn filosofisch parcours

Hij werkt aan zijn proefschrift met een theologische bijgedachte. Als metafysicus wil hij de visie onderbouwen waartoe de paleontoloog Teilhard de Chardin was gekomen: de schepping is le milieu divin. Daarom krijgt de seculiere wereld zijn volle aandacht. In hoge mate is hij wetenschappelijk geïnteresseerd. Hij is de overtuiging toegedaan dat correcte wijsgerig-antropologische inzichten, het liefst van verschillende herkomst, samen de basis vormen voor de normering van het maatschappelijk bestel.

Universiteitsarchief Antwerpen, Fotoarchief UFSIA, archiefnummer 672
Universiteitsarchief Antwerpen, 672

Daarom ging hij te rade bij hedendaagse denkers zoals Paul Ricoeur, maar ook Herbert Marcuse, Jean Baudrillard en René Girard. Vooral Girards werk, en met name het boek Des Choses Cachées Depuis la Fondation du Monde was voor Louis van Bladel een revelatie waarvan hij, zoals bij die andere grote werken en denkers, de kern wist te vatten. Hier vond hij een begin van antwoord op vragen en reserves die hij bij die andere auteurs had. Met name, hoe je het geweld in de samenleving bezweert en je de samenhang bezweert. In tegenstelling tot verlichtingsdenkers die het geweld weten aan de schaarste, was het veel meer de nabootsende begeerte die schaarste creëerde en geweld deed ontstaan. Dat bij Girard de diepere boodschap van het evangelie (en de vertalingen ervan in o.a. de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens) erin bestond dit mechanisme te onthullen, was voor hem een ontdekking waar hij zich volledig in kon vinden. Dat uitgerekend een kwarteeuw na zijn dood René Girards denken gekaapt en misbruikt zou worden door de filosofische fluisteraars van Donald Trump, kon hij niet bevroeden. Dat opvolgers van hem in het filosofiedepartement van de Universiteit Antwerpen zijn taak hebben opgenomen en de verkrachting van Girards denken aan de kaak hebben gesteld – zie het werk van Guido Vanheeswijck in Streven2025– zou hij ten zeerste hebben gewaardeerd. Vanuit het Departement Wijsbegeerte en Filosofie doceerde hij Wijsbegeerte: Moraalfilosofie; Economie, maatschappij en christendom; Filosofie en actuele Geneeskunde; Culturele antropologie en Geneeskunde; Geschiedenis en Kritiek van het Medisch denken.

Het meeste van zijn gepubliceerde werk schreef hij toen hij in het gemeenschapshuis van de Sanderusstraat in Antwerpen woonde. Soms verbeeldt men de gemeenschap van jezuïeten als een cirkel waar de leden met hun rug naar mekaar staan en ieder zijn taak in de samenleving opneemt. Het gemeenschapshuis in de Sanderustraat was echter een open ontmoetingsplaats, de zetel van het tijdschrift Streven, waarrond mensen samen kwamen en discussieerden. Daar kon je heel fysiek het tot stand komen van de artikels meemaken. Bij het binnenkomen op de werkkamer van LVB kwam je te midden van een vloer bezaaid met ontelbare propjes papier met onafgemaakte zinnen en dan vond je hem bezig achter een rookgordijn, bezig met de volgende zin. Een veelschrijver was hij niet, maar hij vertelde dat het schrijfproces een creatieve maar moeizame oefening was, gevormd onder invloed van de minzame maar strenge opleiding van prof. E. de Schrijver s.j., classicus, die als het ware over Louis’ schouder meekeek of het wel de juiste formulering was, geen woord te weinig en geen te veel. Niet de kwantiteit aan woorden maar de kwaliteit stond voorop.

De pretentie van een universiteit

Bij zijn aantreden als rector van de UFSIA in 1983 zei hij :”Als je als universiteit niet bezig bent met de werkloosheid, het crisisbewustzijn, de bewapeningswedloop, de kloof tussen Noord en Zuid en de vrede in de wereld en in eigen land, dan leidt dat tot vakidiotie. Het opleiden van sociaal verantwoorde intellectuelen, dat is onze zaak.

Universiteitsarchief Antwerpen, Fotoarchief UFSIA, archiefnummer 672
Universiteitsarchief Antwerpen, 672

Het verwoorden wat voor hem de rol en ambitie van een universiteit zou moeten zijn, wilde geenszins zeggen dat je geen gedegen wetenschappers en specialisten in je discipline moest opleiden, wel dat de ambitie van de universiteit ook verder moest reiken. Hij vond dat intellectuelen niet aan hun verantwoordelijkheid konden ontsnappen. “Ik zou ze agents of change willen noemen: mensen die elk op hun terrein bereid zijn veranderingen aan te brengen aan deze samenleving. Onze beschaving beantwoordt niet aan wat ze zou kunnen betekenen …”

Die dubbele opdracht van de universiteit heeft hij proberen te realiseren gedurende heel zijn loopbaan. Als plichtbewuste hoogleraar introduceert hij zijn studenten in het filosofisch denken, maar hij doet het op een zo gedreven manier dat het behalve onderricht ook vorming wordt. Oud-studentenherinneren zich zijn objectiverende benadering van de verschillende denkstromingen. Hij brengt de ultieme visie, de zingeving die hij zelf aanhangt en die hem bezielt, ter sprake. Hij is geen aanhanger van een neutrale universiteit: “Ik vind dat je moet uitkomen voor je levensvisie. Men zegt je dat je, als je objectief wilt zijn, je levensbeschouwing buiten haakjes moet plaatsen. Maar volgens mij is het juist omgekeerd: objectief zijn is expliciet uitkomen voor wat je impliciet toch doet.”

Als hij in zijn loopbaan misschien vooral de inspirerende lesgever was, wist hij dat de universiteit toch ook vooral een plaats van onderzoek moest zijn en dat dit systematisch uitgebouwd diende te worden. Als beheerder academische aangelegenheden van de UFSIA zal hij begin de jaren zeventig de ‘departementen’ in het leven roepen die zich strikt met het onderzoek bezighouden. Zo wordt hij de eerste voorzitter van het Departement Filosofie.

Het einde van zijn rectoraat (1988) valt bijna samen met het einde van zijn universitaire loopbaan. De laatste jaren van zijn leven brengt hij als ‘aalmoezenier’ door in rusthuis Mayerhof in Mortsel, waar hij ook op zondag de homilie verzorgt en daar evenveel zorg aan besteedt en zijn publiek au sérieux neemt als was het een publieke lezing.

Hij overlijdt in Antwerpen op 31 juli 2000, uitgerekend op de feestdag van Sint-Ignatius, in het bijzijn van een paar collega’s en vrienden.

em. prof. dr. Stefaan Marysse, FBE, en em. prof. dr. Guido De Baere, FLW, UAntwerpen
3 mei 2026

Academische bibliografie