Alfons K.L. Thijs

1944 – 2014

Alfons Thijs startte zijn academische loopbaan aan de toenmalige Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius (UFSIA) begin oktober 1971. Hij werd aangesteld als wetenschappelijk medewerker aan het toen pas opgerichte Centrum voor Bedrijfsgeschiedenis, dat onder de leiding stond van professor dr. Roland Baetens (1935-2022) en deel uitmaakte van het Departement Geschiedenis.

Een gedreven student

Alfons Thijs volgde de kandidaatsopleiding (nu bachelor) Geschiedenis aan de Sint-Ignatiusfaculteiten die in oktober 1959 aan de Sint-Ignatius Handelshogeschool waren toegevoegd en die naast de opleidingen Rechten en Politieke en Sociale Wetenschappen, vanaf het academisch jaar 1960-1961 ook de kandidaatsopleiding Geschiedenis aanboden. Aangezien deze faculteiten nog niet van rechtswege waren erkend, moesten de studenten de examens afleggen voor de Centrale Examencommissie in Brussel.[i] Alfons Thijs was dus een van de UFSIA-pionier-studenten. Hij behaalde het kandidaatsdiploma Geschiedenis in 1963 en zette nadien zijn opleiding voort aan de toenmalige Rijksuniversiteit in Gent. Met een studie over de 17de-eeuwse zijdenijverheid te Antwerpen, onder de leiding van professor dr. Wilfrid Brulez (1927-2023), behaalde hij daar in 1965 zijn licentiaatsdiploma (master). Die studie was kwalitatief zo hoogstaand dat het Gemeentekrediet van België ze integraal publiceerde in de reeks Pro Civitate. Historische uitgaven in -8°.[ii] Bovendien effende zij het pad voor een wetenschappelijke carrière die al heel snel startte. Alfons Thijs werd namelijk achtereenvolgens navorsingsstagiair (1966-1967), navorser (1967-1968) en aspirant (1968-1971) van het FWO – toen nog Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (NFWO) geheten – en was in 1967-1968 wetenschappelijk medewerker aan het in 1955 opgerichte Interuniversitair Centrum voor Hedendaagse Geschiedenis.

De geschiedenis van de textielnijverheid intrigeerde Alfons Thijs sterk. Hij wijdde dan ook heel wat artikels aan de textielnijverheid tijdens het ancien regime in het algemeen, aan bepaalde sectoren binnen die nijverheid, zoals bijvoorbeeld de saaiweverijen, maar ook aan ermee in verband staande gespecialiseerde nijverheden, zoals ververijen en drukkerijen.[iii] Die zeer specifieke belangstelling liet hem niet meer los: ook zijn proefschrift zou de geschiedenis van de textielnijverheid behandelen. Professor Brulez werd eens te meer zijn promotor.  

In 1978 promoveerde Alfons Thijs tot doctor in de geschiedenis aan de Rijksuniversiteit in Gent. Zijn proefschrift was kwalitatief en kwantitatief een ware kanjer. De Antwerpse textielindustrie van de late 15de tot de vroege 19de eeuw werd er van naaldje tot draadje onderzocht.[iv] Het was een indrukwekkend werk, dat werd bekroond met een ‘grootste onderscheiding met felicitaties van de jury’. Alfons Thijs sleepte er in 1981 eens te meer de Geschiedenisprijs van het Gemeentekrediet mee in de wacht, waardoor zijn studie ook werd uitgegeven, zij het in sterk ingekorte vorm. De publicatie lokte heel wat lovende commentaren uit. De Amerikaanse sociaal-economisch historicus Robert DuPlessis roemde het werk als “a major work to which scholars will return again and again”.[v]

Bedrijfsgeschiedenis, industriële archeologie, cultuurgeschiedenis … geschiedenis van en voor het volk

Intussen bleef Alfons Thijs zich uiteraard toeleggen op de Antwerpse bedrijfsgeschiedenis binnen het kader van het Centrum voor Bedrijfsgeschiedenis. In de provincie Antwerpen werden bedrijfsarchieven opgespoord, bewaard, geïnventariseerd en bestudeerd. Ook aan de studie van de materiële overblijfselen van het industriële verleden – de industriële archeologie – werd aandacht besteed. Vele ‘bedrijfsarchieven’ kwamen naar UFSIA en Alfons Thijs klasseerde en inventariseerde ze. Samen verrichtten Roland Baetens en Alfons Thijs in zekere zin pionierswerk, zoals mevrouw dr. Hilda Coppejans-Desmedt (1924-2014), rijksarchivaris in Gent, dat deed vanuit de archiefwereld. Pas in 1985 kwam op initiatief van de Belgische industrieel en zakenman Evence IV baron Coppée (1929-2019) en het Algemeen Rijksarchief de ‘Vereniging voor de Valorisatie van Bedrijfsarchieven’ tot stand. In 1982 volgde Alfons Thijs Roland Baetens op als directeur van het Centrum voor Bedrijfsgeschiedenis. Hij bleef die functie vervullen tot in 1991 en werd opgevolgd door professor dr. Greta Devos.  

Mensen en hun dagelijks leven boeiden Alfons Thijs uitermate. Dat dankte hij onder meer aan ons beider leermeester professor dr. Karel Van Isacker s.j., die, zoals Alfons het zelf verwoordde, “hem voor het eerst deed inzien dat de historicus in de geschiedenis de mens en het leven dient te zoeken”.[vi] Ook bij de beoefening van de bedrijfsgeschiedenis had Alfons bijzonder veel aandacht voor sociale aspecten. Toen hij in 2004 met emeritaat ging besloot het UA-departement Geschiedenis om hem een huldeboek aan te bieden onder de titel Doodgewoon. Mensen en hun dagelijks leven in de geschiedenis.[vii]In de inleiding ervan wezen de uitgevers erop dat in het rijke oeuvre van Alfons de sociale en economische geschiedenis steeds meer een culturele inkleuring kreeg. Zeker vanaf 1991 vertoonde zijn uitgebreide bibliografie[viii] inderdaad steeds meer publicaties in het vlak van de volkskunde en de cultuurgeschiedenis. Van 1996 tot aan zijn emeritaat in 2004 leidde hij trouwens het Centrum voor Antwerpse Cultuurgeschiedenisaan de UFSIA. Door zijn voorkeur voor de geschiedenis van de gewone man enerzijds en door zijn bijzondere interesse, van jongs af aan, voor devotieboekjes, devotieprenten, bedevaartvaantjes en religieuze volksprenten verschoof zijn belangstelling meer en meer in de richting van de volkskunde, de cultuurgeschiedenis en specifiek ook de boekgeschiedenis. Diverse aspecten van de volkscultuur gaande van poppenspel over loterijen tot religieuze grafiek en het (volks)boek werden nu vooral voorwerp van zijn research. Maar ook op dit terrein manifesteerde Alfons Thijs zich als een grootmeester die met acribie archivalische, literaire en iconografische bronnen doorploegde en kritisch analyseerde. Uit de ruim 30 bijdragen die hij onder meer publiceerde in het tijdschrift Volkskunde, waarvan hij in 1994 redactielid werd, en de vele lezingen die hij over volkskundige thema’s, materiële cultuur of de cultuur van het dagelijkse leven hield, bleken steeds de kwaliteit van zijn onderzoek en de grote passie waarmee hij zijn research had gedaan en de resultaten ervan onder woorden bracht. Dat bleef vanzelfsprekend niet onopgemerkt. Het lag dan ook in de lijn van de verwachtingen dat hij opgenomen werd in de Wetenschappelijke Raad van het Instituut voor Volkskunde. Een opmerkelijke erkentelijkheid viel hem te beurt toen hij door de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen werd benoemd tot lid van de Wetenschapscommissie van het internationaal bekende en befaamde P.J. Meertens-Instituut.[ix] Alfons Thijs engageerde zich in het Vlaams Centrum voor Volkscultuur, voorloper van het huidige FARO. Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoeden werd om zijn kunde opgenomen in de Adviescommissie voor periodieke historische en volkskundige publicaties, later de Adviescommissie voor expertisecentra van de Vlaamse Gemeenschap. Van het Frans M. Olbrechtsgenootschap, dat het wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot het brede veld van de volkscultuur stimuleert, was hij jarenlang lid en van 2004 tot 2010 voorzitter.[x] Hij was ook gedurende vele jaren bestuurslid van de Vereniging van Antwerpse Bibliofielen en lid van de Vlaamse Werkgroep Boekgeschiedenis.

Of Alfons Thijs zich inliet met bedrijfshistorisch, cultuurhistorisch of volkskundig onderzoek, steeds hechtte hij veel belang aan grondig bronnenonderzoek. Hij behoorde nog tot de rasechte historici en ontcijferde aldus geduldig oude documenten, maakte ontzaglijk veel notities, plaatste zijn onderzoeksthema in ruimere context, en maakte werk van de precieze verwoording en de vlotte leesbaarheid van zijn teksten. Hij was een trouwe archief- en bibliotheekbezoeker, maar hij bezat ook zelf een oeverloze collectie van boeken, documenten, allerhande curiosa en veel grafiek. Ik herinner me hoe hij regelmatig tijdens de lunchpauze snel op stap ging en nadien opgetogen terug op de campus arriveerde met een of ander kleinood, een boek of een gravure, een bedevaartvaantje of een devotieblaadje bijvoorbeeld, dat hij had kunnen aankopen. Hij was een bibliofiel in hart en nieren, wellicht grotendeels te danken aan het feit dat zijn vader, Hubert Thijs, destijds in Antwerpen een bekend antiquariaat had. Van in zijn jeugd geraakte Alfons in de ban van gedrukte devotionalia en die bleven zijn heel leven lang zijn bijzondere aandacht genieten. Opmerkelijk is dat hij al in de jaren 1957-1960 zelf bedevaartvaantjes ontwierp en in druk uitgaf.[xi] En in het huiskrantje van zijn vader, Het Trompetje, een kosteloos blaadje voor boekenliefhebbers en boekenkopers, publiceerdehij als toen zestienjarige een artikel over het Sint-Rochusvaantje.[xii] In de bibliotheek van het Ruusbroecgenootschap, een met de faculteit Letteren en Wijsbegeerte van de Universiteit Antwerpen geassocieerd instituut dat de wetenschappelijke navorsing van de geschiedenis van de vroomheid – ascese en mystiek – in de Nederlanden van de bekering tot 1750 als missie heeft, was hij ‘kind aan huis’. In Ons Geestelijk Erf, het driemaandelijkse tijdschrift dat door dit genootschap wordt uitgegeven, wijdde Alfons Thijs trouwens een interessante bijdrage aan de rijke iconografische collectie van het genootschap.[xiii] Maar hij kon ook uitgebreid grasduinen in zijn eigen verzameling, die hij aanlegde vooral vanuit de ambitie om deze gedrukte devotionalia als historische bron te benaderen en hun betekenis te achterhalen in de context waarin ze tot stand waren gekomen. Door te contextualiseren kwam hij dan toch nog vaak bij aspecten van de bedrijfsgeschiedenis terecht, want hij ging na wie de graveurs, de afzetters of verluchters, de drukkers en de uitgevers waren, hoe de devotieprenten werden verspreid, wat de productiekosten waren, welke lonen en prijzen eraan gekoppeld waren en dies meer[xiv]. Maar behalve voor die sociaal-economische facetten had hij oog voor de instrumentalisering van deze grafiek in het contrareformatorische proces en voor de toe-eigening door consumenten en later, in de 19de  en de 20ste eeuw, door collectioneurs van deze devotionalia als dragers van een decoratieve ideologie.[xv]

Alfons Thijs verdiepte zich trouwens in de periode van de contrareformatie en de problematiek van de Kerk-maatschappij-relatie vanaf de 16de tot het einde van de 18de eeuw. In zijn boek Van Geuzenstad tot katholiek bolwerk. Maatschappelijke betekenis van de Kerk in contrareformatorisch Antwerpen, dat hij in 1990 publiceerde en dat hij zelf als een ‘essay’ bestempelde, belichtte hij hoe de stad Antwerpen vanaf de late 16de eeuw evolueerde van een centrum van protestantisme naar een bastion van de katholieke contrareformatie. Hij schonk daarbij veel aandacht aan de impact die dat ingrijpende religieus transformatieproces had op de stedelingen. Het werd een frisse, vernieuwende synthese die, hoewel ze ook wel kritiek uitlokte, zeer naar waarde werd geschat onder meer omdat ze de te vaak op zichzelf staande kerkgeschiedenis doorbrak. Het werk werd tweemaal bekroond, namelijk met de Prijs voor Letterkunde van de Provincie Antwerpen en een jaar later met de Prijs voor Letterkunde van de Vlaamse provincies.[xvi]

Hoogleraar en veel gevraagd causeur

Alfons Thijs was in het vlak van de historische research een duizendpoot. Zijn academische opdracht beperkte zich echter niet tot het onderzoek. Hij doceerde ook. Toen de bijzonder gewaardeerde sociaalhistoricus professor Karel Van Isacker s.j. in 1980 met emeritaat ging, kreeg Alfons Thijs de opleidingsonderdelen ‘Nieuwste Geschiedenis’ en ‘Sociale Geschiedenis’ toegewezen in de faculteiten Letteren en Wijsbegeerte en Politieke en Sociale Wetenschappen.  Zo werd hij deeltijds en later, in 1987 voltijds docent. Op 1 oktober 1988 werd hij benoemd tot hoogleraar. Zijn colleges zullen ongetwijfeld boeiend en inspirerend geweest zijn, net zoals de vele lezingen die hij onder meer hield voor de Provinciale Commissie voor Geschiedenis en Volkskunde, het Genootschap voor Antwerpse Geschiedenis en de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, organisaties waarvan hij lid was. Hij was een gedreven spreker die zijn onderwerpen door en door kende, ze met verve, dynamisch en gepassioneerd bracht en ze bovendien opluisterde met allerlei prenten van uiteenlopende aard en oude publicaties. Hij nam zijn toehoorders op sleeptouw, betrok hen in zijn kritisch denkproces en bracht hun nieuwe inzichten bij.

Alfons Thijs was een fijne collega. Hij was een man met een grote beroepsernst die kwaliteit hoog in het vaandel droeg, een knap historicus.  Hij kon zeer kritisch uit de hoek komen op vergaderingen. Hardnekkig en onverstoorbaar verkondigde hij zijn mening als hij vond dat iets ertoe deed, maar tegelijk was hij ook altijd bereid te luisteren naar ideeën en suggesties van anderen.  Hij was ook loyaal, bereidwillig en behulpzaam. Zijn gulle lach, zijn kloeke stap, zijn joviale manier van begroeten en zijn gedreven spreekvaardigheid zullen mij steeds bij blijven.

Op 14 januari 2014 overleed hij in Borgerhout na een moedige en ongelijke strijd tegen een zware ziekte die snel en genadeloos toesloeg.

Opus magnum

Alfons Thijs werkte de laatste jaren aan een opus magnum over de gedrukte propaganda voor bedevaartplaatsen in Vlaanderen en Brabant van de 16de tot het midden van de 19de eeuw. Voor hem was het onderzoek naar bedevaartvaantjes, bedevaartprenten en bedevaartgerelateerd tekstmateriaal zoals bedevaartboekjes, liedbladen, devotieblaadjes en dergelijke, slechts een deelonderzoek van een omvangrijker en nog aan te vatten historisch onderzoek naar wat hij ‘massacommunicatie’ of  ‘openbare communicatie’ noemde.[xvii] Een dergelijk omvangrijk historisch onderzoeksproject zou echter om allerlei redenen onhaalbaar zijn, daarom beperkte hij zich tot ‘massacommunicatie’ met betrekking tot plaatsgebonden devoties. Met zijn haast spreekwoordelijk streven naar preciesheid en volledigheid noteerde hij de resultaten van zijn onderzoek. Zijn manuscript was ‘work in progress’en groeide gestaag. Jammer genoeg kon hij het onverhoeds, door ziekte getroffen, niet voltooien. Maar op basis ervan en na een intensief redactieproces verscheen in 2020 als een mooie eerbetuiging aan hem Komt pelgrims, komt hier. Devotioneel drukwerk voor bedevaartplaatsen in Vlaanderen en Brabant (1500-1850).[xviii] een indrukwekkend en mooi uitgegeven boek.

De universiteitsbibliotheek, de bibliotheek van het Ruusbroecgenootschap, de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience en het Letterenhuis herbergen nu delen van de uitgebreide collectie boeken, handschriften, gelegenheidsdrukwerk en devotionalia van Alfons Thijs.

em. prof. dr. Helma De Smedt, FLW UAntwerpen

Academische bibliografie


[i] A. C0USSEMENT, Universiteit van ’t Stad. Een ontstaansgeschiedenis van de Universiteit Antwerpen, 1954-2003, Antwerpen, Universiteit Antwerpen, 2023, p. 82-84.

[ii] A.K.L. THIJS, De zijdenijverheid te Antwerpen in de 17de eeuw (Pro Civitate. Historische uitgaven, reeks in -8°, nr. 23), Brussel, 1969.

[iii] Alfons Thijs publiceerde o.m. een reeks ‘Nijverheids-  en familiegeschiedenis ‘ (Vlaamse Stam), 9 dln., Ledeberg – Gent, 1967-1969,  over lakenververs, zijdeververs, karmozijnververs, kamelotververs en scharlakenververs en verdiepte zich ook in de geschiedenis van de katoendrukkerij.

[iv] A.K.L. THIJS, Van “ werkwinkel” tot “fabriek”. De textielnijverheid te Antwerpen (einde 15de – begin 19de eeuw) (Gemeentekrediet. Historische uitgaven. Reeks in -8°, nr. 69), Brussel, 1987.

[v] Zie recensie in Bijdragen tot de Geschiedenis, 72 (1989), p.101.

[vi] Zie de Inleiding in A.K.L. THIJS, Van werkwinkel tot fabriek (…), p. 12.

[vii] B. BLONDE, B. DE MUNCK en F. VERMEYLEN (eds.), Doodgewoon. Mensen en hun dagelijks leven in de geschiedenis. Liber Amicorum Alfons K.L. Thijs (Bijdragen tot de geschiedenis, 87 (2004), afl. 1-2), Antwerpen, 2004.

[viii] Voor Thijs’ bibliografie tot 2004 raadplege men: F. VERMEYLEN, ‘Bibliografie Alfons K.L. Thijs’, in: B. BLONDE, B. DE MUNCK en F. VERMEYLEN (eds.), o.c., p. 25-42. Na 2004 publiceerde Fons Thijs nog diverse tijdschriftartikels, hoofdstukken in boeken, redactionele artikels en recensies. Die komt men op het spoor via de ‘Academische bibliografie’ van de Universiteit Antwerpen die door de Universiteitsbibliotheek wordt verzorgd. 

[ix] Het P.J. Meertensinstituut in Amsterdam bestudeert en documenteert de Nederlandse taal en cultuur. Centraal staan de verschijnselen die het alledaagse leven in onze samenleving vormgeven. Het instituut werd opgericht in 1930 en is een instituut van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).  

[x] Alfons Thijs schreef over het Olbrechtsgenootschap en over Frans M. Olbrechts zelf: A.K.L. THIJS, Het Frans M. Olbrechtsgenootschap heeft geld veil voor volkskundige studies, Antwerpen, 2008; IDEM, “ La Germanistique mène à tout…” Frans M. Olbrechts (1899-1958) in het wereldje van volkskundigen en etnologen,  Antwerpen, 2008;  IDEM, ‘ Mensen van betekenis voor de volkskundige en etnograaf Frans Olbrechts (Mechelen 1899-Aken 1958)’, in: Post factum. Jaarboek voor geschiedenis en volkskunde van de Provinciale Commissie voor Geschiedenis en Volkskunde, 1 (2009), p.158-176.

Het Frans M. Olbrechtsgenootschap sponsorde de postume publicatie van Alfons THIJS’ manuscript Komt pelgrims, komt hier (zie volledige referentie in noot 17).

[xi] Cf. F. VERMEYLEN, o.c., p. 40-42.

[xii] ‘Is Jan Verhoeven de graveur van het Sint-Rochusvaantje van Boom?’ in:  Het Trompetje, een kosteloos blaadje voor boekenliefhebbers en boekenkopers, 5 (1960), [p. 1-2].

[xiii] A. THIJS en F. LEMMENS, ‘ De iconografische collectie van het Ruusbroecgenootschap. Een rijke bron voor de studie van de vroomheidsbeleving in de Oude Nederlanden’, in: Ons Geestelijk Erf, 75 (2001), p. 270-292.

[xiv] Zie o.m.:  A.K.L. THIJS, Devotie, winst en politiek: achtergronden van de produktie van neogotische devotieprenten in Vlaanderen tijdens de tweede helft van de 19de eeuw, Leuven, 1986; IDEM, Antwerpen, internationaal uitgeverscentrum van devotieprenten, 17de-18de eeuw (Miscellanea neerlandica, vol. 7), Leuven, 1993; IDEM,  De steendrukkerij E. Lombaerts-Van de Velde/G. Hutsebaut: een verhaal over de langzame dood van de Vlaamse neogotische devotieprentenproduktie, s.l. ,1995; IDEM, ‘Brugge en Antwerpen: vijf eeuwen devotieprentenproductie (15de– eerste helft 20ste eeuw)’, in: Provincie Antwerpen. Jaarboek van de Provinciale Commissie voor Geschiedenis en Volkskunde, 16 (2004-2005), p.204-221; IDEM, Vera Effigiens? Vindingrijke omgang met drukvormen: productiekosten reducerende beeldmanipulatie bij bedevaartprenten, s.l., 2011.

[xv] Zie o.m.  A.K.L. THIJS, ‘Devotieprenten en het contrareformatorische herkersteningsoffensief in de Zuidelijke Nederlanden’, in: Vlaanderen. Tweemaandelijks tijdschrift, 41 (1992), p. 148-156; IDEM, ‘De opkomst van het verzamelen en bestuderen van bedevaartvaantjes (1853-1922) of: hoe devotionalia “volkskundige”objecten werden’, in:  P. DE WIN (ed.), Wijsheid in bescheidenheid. Miscellanea Mechliniensia in honorem Aloysii Jans,  Mechelen, 2002, p. 301-320; IDEM, ‘Verzamelaars en producenten van bedevaartprentjes (1853-1970): emotionele omgang met traditioneel religieus erfgoed’, in: Volkskunde. Tijdschrift over de cultuur van het dagelijkse leven, 111 (2010), 2, p. 117-144.

[xvi] A.K.L. THIJS, Van Geuzenstad tot katholiek bolwerk. Maatschappelijke betekenis van de Kerk in contrareformatorisch Antwerpen, Turnhout, 1990. Zie ook A.K.L. THIJS, ‘De Contrareformatie en het economisch transformatieproces te Antwerpen na 1585’, in: Bijdragen tot de geschiedenis, 70 (1987), p.97-124.

Men leze ook de besprekingen respectievelijk van J. ANDRIESSEN en E. PUT in Tijdschrift voor Geschiedenis, 105 (1992), p. 658-659; Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis, 70 (1992), p.1065-1067.

[xvii] VAN MULDER, J., ‘Le bon Dieu est dans le détail. Komt pelgrims, komt hier van Alfons Thijs tussen lokale etnografie en internationaal onderzoek’, in: THIJS, A.K.L., VAN MULDER, J., EGGERS, I. en VAN LOOVEREN, E., Komt pelgrims, komt hier: devotioneel drukwerk voor bedevaartplaatsen in Vlaanderen en Brabant (1500-1850). (Miscellanea Neerlandica, vol. 45), Leuven, Uitgeverij Peeters, 2020, p. XXXII.

[xviii] THIJS, A.K.L., VAN MULDER, J., EGGERS, I. en VAN LOOVEREN, E., Komt pelgrims, komt hier (…), Leuven, Uitgeverij Peeters, 2020, XLVI + 794 pp.