1930-2017

Albert Louis Mok groeide op in Amsterdam, waar hij samen met zijn ouders en oudere zus deel uitmaakte van een middenstandsgezin. Na de lagere school ging hij naar het Hervormd Lyceum aan de Brahmsstraat in Amsterdam. Daar behaalde hij zijn HBS-diploma.
Mok studeerde sociologie in Amsterdam in de jaren vijftig van vorige eeuw. Hij promoveerde in 1962 aan de Universiteit Utrecht bij J.P. Kruijt, een plechtigheid door Willem Wilmink beschreven als ”niet zomaar een gebeurtenis”. Zijn proefschrift Dienen als beroep werd als volgt gerecenseerd: ”In deze dissertatie […] heeft Mok getrouw aan zijn onderwerp de lezer als gast beschouwd. De resultaten van de analyse worden vlot opgediend en het geheel is een goed verteerbare maaltijd geworden!” Twee jaar later publiceerde Albert – met Hugo de Jager – het nog steeds gebruikte leerboek Grondbeginselen der sociologie: Inzicht in sociale relaties. In 1970 doceerde hij aan de University of Arizona en de University of Utah, waarna hij in 1972 werd benoemd tot gewoon hoogleraar Organisatie- en economische sociologie aan de Universitaire Instelling Antwerpen (UIA). Naast visiting professor aan de University of Ashton werd Albert in 1987 hoogleraar Sociologie van arbeid en technologie in Wageningen. Tijdens zijn verblijf aan het NIAS[1] in 1990 schreef hij In het zweet uws aanschijns: Inleiding in de arbeidssociologie – onder studenten bekend als het ‘zweetboek’. In 2017 verscheen de zevende druk onder de titel Arbeid, bedrijf en maatschappij. In 1996 ging Albert met emeritaat maar hij bleef actief artikelen en boeken schrijven. Hij was ongetwijfeld een van de grondleggers van de Nederlandse en Vlaamse sociologie.
IN DE KLAS (door Herman Meulemans)
Albert is in Amsterdam geboren op 11 juli 1930 en in Antwerpen overleden op 5 augustus 2017. Een mensenleven van zevenentachtig jaar trekt hoog in de lucht een boog tussen twee historische steden. Toen ik onlangs in het Vondelpark kuierde, las ik op het opschrift onder het standbeeld van Joost van den Vondel dat zijn doopsgezinde ouders Antwerpen waren ontvlucht en dat de dichter overleed in Amsterdam. De redenen om te migreren durven in drie eeuwen weleens grondig veranderen.
Albert werd als jonge veertiger aangetrokken door de pas opgerichte Universitaire Instelling Antwerpen (UIA). Zijn grote belangstelling ging uit naar organisaties, beroepen, arbeidsmarkt, technologie, ziekteverzuim en zovele thematieken op het snijvlak van organisatie- en economische sociologie. Toen ik bij hem in de klas zat – zijn allereerste jaar aan de UIA, begon zijn Beroepen in actie (1973) vaste vorm te krijgen. De bescheiden ondertitel die hij het boek gaf – een bijdrage tot een beroepensociologie – stond in schril contrast tot het gevoel van betrokkenheid dat wij als jonge twintigers overhielden aan zijn socratische onderwijsexperiment. Albert heeft in Antwerpen haast vijfentwintig lichtingen studenten ‘goesting’ doen krijgen in het beroep van socioloog.
Ik herinner me heel levendig dat hij een oratie gaf over zijn proefschrift … in de kelder van het eerst opgetrokken gebouw van de UIA, meer bepaald in het studentenrestaurant. Bij belangrijke lezingen zonderde Albert zich altijd een kwartiertje op voorhand af om tot rust te komen. Tijdens de middagpauzes speelde hij vaak in zijn kamer dwarsfluit met gesloten deur. Als hij J.S. Bachs Air Suite speelde, hield menig voorbijganger halt aan de andere kant van de deur.
Albert was zuinig met woorden, wat Vlamingen niet altijd verwachten van Nederlanders. Maar zijn woorden verrijkten een grote schare van Antwerpse licentiaatsstudenten. Als pionier droeg hij op substantiële wijze bij tot de grote aantrekkingskracht van het departement Politieke en Sociale Wetenschappen. Albert was een begeesterend socioloog, die wetenschap niet alleen als beroep had maar in de eerste plaats als roeping.
IN DE TOURBUS (met Ray Loveridge)
Albert hield zich gedurende zijn werkzame leven bezig met de sociologie van arbeid, beroep en bedrijf. Over de arbeidsmarkt schreef hij samen met de Engelse hoogleraar Ray Loveridge Theories of Labour Market Segmentation (1979). Hun langdurige vriendschap en samenwerking resulteerden in verschillende artikelen en hoofdstukbijdragen.
Albert en Ray ontmoetten elkaar tijdens een conferentie in Tel Aviv, in de zomer van 1971. ‘Men had een uitstapje naar Nazareth georganiseerd voor de congresgangers. Per toeval belandde ik in de bus van de Nederlandse delegatie. Ik nam plaats naast Albert en al snel ontdekte ik dat we allebei interesse hadden in het bestuderen van arbeidsmarkten en beroepen. Daarnaast sprak Albert niet alleen vloeiend Engels, hij was ook een enthousiast lid van de National Trust. Albert was dan ook vaak in Engeland te vinden om tuinen en huizen te bezoeken.’
Beiden waren actieve leden van de European Group for Organizational Studies (EGOS). ‘We ontmoetten elkaar voor het laatst in 2014 tijdens de EGOS-conferentie in Rotterdam. Ondanks de intensieve zorg voor enkele naasten probeerden we beiden onderzoeksprojecten van de grond te krijgen. Albert vroeg me nog een en ander uit te zoeken over negentiende-eeuwse arbeidsomstandigheden in Engeland. Zijn aanwezigheid stimuleerde nieuwe inzichten in velerlei hedendaagse sociale en intellectuele problemen. Zijn precieze analyses omvatten altijd een humanitaire en esthetische component voor de manier waarop deze problemen opgelost dienden te worden.’
IN DE HUISKAMER (door Pauwke Berkers)
Albert en ik ontmoetten elkaar voor het eerst in 2012 bij Hugo de Jager thuis, Laan van Suchtelen van de Haare in Bussum (Ndl.). Zij zochten een derde auteur voor Grondbeginselen der sociologie. Ik mocht bij beide heren op audiëntie komen, althans zo voelde dat, onbedoeld. In een met boeken en klassieke muziek cd’s volgepakte huiskamer lachten Albert en Hugo luidkeels om elkaars grappen over opera en goede wijnen. Ik glimlachte, maar vatte de clou meestal niet. Dit was cultureel kapitaal zoals Bourdieu het werkelijk bedoelde. We deelden echter een groot enthousiasme voor sociologie en ik luisterde graag naar alle verhalen over de pioniersjaren van de Nederlandse sociologie.
We zagen elkaar tweemaal per jaar, in Maastricht, Rotterdam of ergens halverwege. Ik bewonderde Albert. Niet alleen vanwege zijn grote kennis van de sociologie – Max Weber in het bijzonder – maar ook vanwege zijn gedrevenheid en interesse in anderen. Via een door mij aangemaakt Academia.edu-account volgde hij mijn academische output, complimenteerde hij me en voegde er vaak een kleine suggestie aan toe: ”De tweede zin in het abstract loopt niet helemaal goed. Moet je even naar kijken.” Reeds ver in de tachtig vroeg hij me regelmatig enkele artikelen te mailen, veelal over flexibilisering en precarious labor, waar hij kritisch tegenover stond.
Helaas heb ik maar aan één druk van Grondbeginselen kunnen bijdragen. Wij waren bezig aan de vijftiende druk toen de eerste ziekteverschijnselen zich openbaarden. Hoewel de dokters hem hadden opgegeven, wilde hij gewoon doorwerken aan de nieuwe editie. Zo herinner ik me Albert, mijn ‘sociologische grootvader’.
em. prof. dr. Herman Meulemans, FSW, UAntwerpen en
prof. dr. Pauwke Berkers, Erasmusuniversiteit Rotterdam
2017
[1] Netherlands Institute for Advanced Studies in the Humanities and Social Sciences, onderdeel van de KNAW.
Deze tekst van Pauwke Berkers & Herman Meulemans werd eerder gepubliceerd in Sociologie Magazine, jaargang 25 (4), pp.30-31, onder de titel Drie ontmoetingen: In memoriam Albert Mok (1930-2017).

