1934 – 2024
Koen Boey werd geboren in Brugge op 17 oktober 1934 en overleed in Antwerpen op 2 oktober 2024.
Laatste jaren

De laatste jaren van zijn lange leven keerde Koen Boey weer terug naar die Antwerpse buurt die in zijn beroepsleven de belangrijkste plaats heeft ingenomen. Vanuit zijn appartement in het woonzorgcentrum Onze-Lieve-Vrouw van Antwerpen zag hij op gebouw D van de Stadscampus van de Universiteit Antwerpen uit, waar gedurende vele jaren de kantoren van het departement filosofie gevestigd waren. Koen, sinds 2014 weduwnaar, was nog zeer mobiel en ondernam dagelijks tochten, niet alleen over de universiteitscampus, maar ook door de stad ,en als hij bezoek verwachtte, stapte hij naar een traiteur om zijn bezoekers naast een glas Gigondas een lekkere maaltijd te kunnen aanbieden.
Enkele jaren later verhuisde Koen binnen dit gebouwencomplex in het oude stadscentrum naar een afdeling die meer zorg kon verlenen. Zijn gehoor, maar vooral zijn gezichtsvermogen gingen steeds meer achteruit. Zo lang hij kon bleef hij lezen. Daarna waren er de luisterboeken, maar lezen in gezelschap was prettiger en dus werd zijn kamer een ontmoetingsplek om naar vrijwilligers te luisteren die kwamen voorlezen. Bijvoorbeeld uit een biografie van Erasmus.
Koen ging ook graag uit eten, regelmatig nodigde hij zijn vroegere collega’s en medewerkers van de letterenfaculteit uit op restaurant. Maar ongewild kwam later toch de tijd van meer eenzaamheid, ook al kwamen er nog bezoekers. Koens echtgenote Ingrid, hoewel jonger, was immers al enkele jaren vroeger overleden, de kinderen en kleinkinderen woonden in Nederland, en de zussen waren ook niet meer jong en woonden niet in de buurt. Dat brak uiteindelijk ook zijn levenslust. Koen Boey stierf net voor zijn 90ste verjaardag. De familieleden, vrienden, kennissen en collega’s namen afscheid in de kerk van het Antwerpse begijnhof.
Opleiding en Congo
Reeds als schooljongen in het St.-Lodewijkscollege in Brugge had Koen de wens om als missionaris naar Afrika te gaan. Na zijn schooltijd in West-Vlaanderen trad hij in de Societas Jesu in. In het kader van zijn vorming bij de jezuïeten verwierf hij 1959 het diploma van licentiaat in de filosofie en zeven jaar later ook in de theologie. In 1968 kwam daar een doctoraatdiploma in de thomistische wijsbegeerte bij, niet in Leuven maar aan de Université Catholique in Parijs, en nog in hetzelfde jaar een doctoraat in de geschiedenis van de filosofie aan de Sorbonne. Maar die oude wens om naar Afrika te gaan was geenszins vergeten: In1960-61 zien we Koen Boey als directeur van een ‘école primaire’, en het volgende jaar als leerkracht in het middelbaar onderwijs in Congo. Het zal niet bij dit intermezzo van twee jaar in Afrika blijven. Na het behalen van het doctoraat keert hij terug, nu als universitair docent aan de universiteit Lovanium.
Het proefschrift aan de Sorbonne behandelde het probleem van de vervreemding bij Hegel. Niet zonder trots wees Koen erop, dat zijn werk in een van de belangrijkste filosofische encyclopedieën – Ritters Historisches Wörterbuch der Philosophie – vermeld werd.
Aanstelling in UFSIA
In het universitaire landschap van Vlaanderen kwamen er vanaf 1965 belangrijke veranderingen. De handelshogeschool van de jezuïeten in Antwerpen kreeg het statuut van universiteit en samen met andere opleidingen werden de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius opgericht. En omdat men behoefte aan bekwame docenten had, eindigde het Afrikaanse avontuur en werd Koen docent aan de UFSIA.
KU Nijmegen
Deze eerste etappe van Koens aanstelling aan de UFSIA – van 1970 tot 1977 – eindigde met zijn verhuizing naar Nederland en het begin van zijn academische activiteiten aan de KU Nijmegen (vandaag Radboud Universiteit). Of zijn huwelijk met Ingrid van Brunschot en het daarmee verbonden uittreden uit de jezuïetenorde hierbij een rol speelde is stof voor speculatie. Hoe dan ook, men zag in Nijmegen in Koen de geknipte man om aan de grote belangstelling voor het marxisme tegemoet te komen. Koen was een uitstekende kenner van de Franse filosofische discussies over Marx, zoals ze vooral in de werken van Althusser of Garaudy ruim bekend werden. Voor Koen bleef Parijs altijd het centrum van het filosofisch denken, wat natuurlijk niet uitsloot dat occasioneel ook een blik werd geworpen op de Frankfurter Schule of de Engelstalige Marxdiscussie bij Jon Elster.
Opnieuw Antwerpen
Nijmegen bleef een intermezzo dat acht jaar duurde, de collegiale contacten bleven tot aan zijn levenseinde. De terugkeer naar Antwerpen werd in goede banen geleid door prof. Louis Van Bladel s.j. Hij was voor Koen een belangrijk voorbeeld: een foto van Louis van Bladel stond altijd op Koens werktafel, ook thuis na zijn emeritaat. Toen Louis van Bladel tot rector van de UFSIA werd verkozen, kon hij zijn leeropdracht niet meer volledig uitoefenen en het was zijn uitdrukkelijke wens Koen Boey naar Antwerpen terug te halen om te zorgen voor de continuïteit van zijn filosofisch project (‘Economie, Maatschappij en Christendom’) aan de faculteit Toegepaste Economische Wetenschappen. Koen sprak soms van de ’UFSIA-filosofie’, een – toegegeven – problematisch etiket omdat er nooit zoiets als een officiële of inofficiële UFSIA-filosofie bestond. Deze ’UFSIA-filosofie’ was een soort project dat gedeeltelijk gerealiseerd werd, vooral aan de faculteit Toegepaste Economische Wetenschappen.
In het voorwoord tot zijn boek In vrijheid goed leven(1992) schreef Koen Boey: “Graag draag ik het boek op aan Louis Van Bladel s.j. Voor veel van wat ik op eigen wijze formuleer vond ik inspiratie in zijn ethisch denken. De wijze waarop ik het herneem, is vaak hegeliaans, mijn wijsgerige moedertaal, die Libert Vander Kerken s.j. me heeft leren spreken.”
UFSIA-filosofie
Koen Boey had wel een Franse doctoraatsgraad in de thomistische wijsbegeerte, maar in de tijd van Koens opleiding verdween de aantrekkingskracht van het thomisme – ooit de enige ’officiële’ filosofie van de katholieke Kerk – bijna volledig. Neothomistische vernieuwingen, geïnspireerd door Kant of Heidegger, bleven uiteindelijk een voorbijgaande episode.
De inofficiële ’UFSIA-filosofie’ werd sterk beïnvloed door Hegel en ook door Marx. Dat was oorspronkelijk te danken aan de Nederlandse jezuïet Piet de Bruin. Men kan het nalezen in een lijvig boek dat een beetje als een manifest van deze ’UFSIA-filosofie’ beschouwd kan worden, en waarvoor Koen Boey de hoofdverantwoordelijke was: Een prijswaardige economie – een ethische visie. “Aan de wieg van de filosofische traditie aan de UFSIA staat Piet de Bruin”, zo schrijft Boey in een inleidend hoofdstuk van dit boek. Enige nuancering is hier wenselijk. In een beleidsdocument uit UFSIA-tijden was er ooit sprake van drie pijlers waarop het universitair onderwijs steunt: wetenschappelijke kwaliteit, spirituele diepgang en maatschappelijke betrokkenheid. In het denken van Boey en Van Bladel, als ook van Piet de Bruin, werd de ethische dimensie van het economisch handelen beklemtoond. De bezinning op het wezen van de economie zelf noopte tot deze ethische dimensie. Bijgevolg moest de ethische bezinning een integraal bestanddeel van het economisch denken zijn en niet van buitenaf opgedrongen worden. Een louter technische vakdiscipline ‘economie’ zonder ethische bezinning zou een essentieel aspect van het economisch handelen verwaarlozen. Vakken als ’Economie, ethiek en christendom’ moesten voor deze integratie van het ethische in de vakdiscipline zorgen en idealiter was deze bezorgdheid natuurlijk niet slechts een taak voor de vakfilosoof maar voor elke econoom die besef had van zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het is duidelijk dat deze ’UFSIA-filosofie’ vooral in de sociale en maatschappelijke wetenschappen inspirerend kon zijn. In de faculteit Letteren en Wijsbegeerte, waar eerder een historisch-hermeneutisch denken overheerste, was ze veel minder aanwezig, ook niet in de faculteit Rechten, waar eerder de ’spirituele diepgang’ filosofisch domineerde.
Hoe dan ook, deze ’UFSIA-filosofie’ kreeg in de vorm van een extern gefinancierd onderzoek de steun van de spaarbank HBK, waarvan de toenmalige directieleden zelf aan de UFSIA economische wetenschappen gestudeerd hadden. Voor dit omvangrijke project droeg Koen Boey de academische verantwoordelijkheid.
Koen Boey koesterde ook een grote bewondering voor de Franse (protestantse) filosoof Paul Ricoeur. Na zijn emeritaat in het jaar 2000 wijdde hij een kleine monografie aan deze veelzijdige Franse filosoof. In zijn nalatenschap bevond zich ook een manuscript over Maurice Blondel, wiens filosofie hem heel zijn leven heeft beziggehouden. Het ontstond, toen hij uitgenodigd werd om in de licentiaatsopleiding filosofie van de KU Leuven les te geven. Antwerpen was toen in zijn filosofieopleiding nog beperkt tot de kandidaturen. Graag had hij gezien dat zijn behandeling van Blondel – in zijn tijd een omstreden katholieke denker – in boekvorm was verschenen. Maar hijzelf had daarvoor niet meer de nodige kracht.
Functies
Naast zijn veelvuldige leeropdrachten bekleedde Koen Boey tal van academische functies, zoals lid van de Algemene Vergadering van de UFSIA, directeur van het Centrum voor Ethiek, voorzitter van de Sectie Wijsbegeerte en decaan van de faculteit Letteren en Wijsbegeerte.
De mens
Koen was een mens die van gezelschap hield, geen eremiet die in zijn vrije tijd de eenzaamheid opzocht. Vaak kon men bij hem thuis bij een glas rode wijn een aanzienlijk aantal mensen ontmoeten, waaronder ook vroegere studenten. De contacten met zijn medewerkers van de faculteit Letteren en Wijsbegeerte werden voortgezet, ook al was zijn functie als decaan beëindigd. En last but not least had hij ook een hart voor die mensen in onze samenleving die van onze welstandseconomie niet konden profiteren.
Vele vroegere studenten koesteren herinneringen aan een hoogleraar die niet slechts geëngageerd lesgaf, maar ook om zijn studenten gaf. Een getuigenis daarvan vindt men in de roman Liefste Clara van zijn vroegere studente Rita Depestel-Martynowski, waarin haar vroegere filosofieprofessor, weliswaar onder een schuilnaam, geportretteerd werd.
em. prof. dr. Joachim Leilich, FLW, UAntwerpen
november 2025

