1922-1990

Kritisch socioloog
Vijf dagen na Hoefnagels’ overlijden op 21 september 1990 te Nijmegen schreef de Nederlandse krant Het Parool: ”Het is nauwelijks meer voor te stellen hoe groot de emoties waren en hoe fel de tegenspraak was, die Harry Hoefnagels ooit opriep. Dertig jaar geleden wierp hij stenen in de vrijwel rimpelloze Nederlandse vijver”. In juli 1961 waren er namelijk wilde stakingen uitgebroken in de Amsterdamse haven en de vakbondsleiding leek de touwtjes kwijt te zijn geraakt. In de pers werd met een scheef oog gekeken naar de communistische aanstokers. Maar de jezuïet Hoefnagels zag dat anders. In enkele stukken in het jezuïetentijdschrift De Linie en in een ophefmakend artikel in de Sociologische Gids, het vakblad van de Nederlandse sociologen, verweet hij de vakbondsleiders dat zij de havenarbeiders in de steek lieten en ”zich gedroegen als gewillige instrumenten van een overheid die erop uit is de lonen laag te houden”. Het werd tijd, vond Hoefnagels, dat de vakbondsleiders ophielden om ”hun superieure vergadertechniek te gebruiken om afwijkende geluiden met een woordenvloed te overspoelen”. De arbeiders moesten zelf een stem krijgen. Het hele arbeidsbestel was immers onmenselijk en onrechtvaardig, en enkele centen opslag zou daaraan weinig veranderen; het liet de arbeiders enkel toe om een graantje mee te pikken uit de ruiven van de consumptiemaatschappij, zodat ze voor even hun vervreemde leven konden vergeten. De loonstrijd, zo had Hoefnagels al eerder betoogd in zijn boek Een eeuw sociale problematiek uit 1957, was niet meer dan een symptoom. De kern van de sociale kwestie zat veel dieper. De samenleving zelf was onmenselijk, onrechtvaardig en irrationeel.
Met dit standpunt kwam Harry Hoefnagels dicht in de buurt van de sociologen Max Horkheimer en Theodor Adorno – de leidende figuren van de Frankfurter Schule. In de jaren zestig en zeventig werd Hoefnagels in het Nederlandse taalgebied een van hun herauten. Met tal van artikelen en boeken getiteld Kritische sociologie en Sociologie en maatschappijkritiek leek hij mee te surfen op de golven van het studentenprotest uit die periode. Al kon je Hoefnagels moeilijk een epigoon noemen. Daarvoor was hij veel te eigenzinnig. Zijn mensbeeld was ook anders dan dat van de Frankfurters. Hoefnagels was geen conflictsocioloog – conflicten waren eigen aan het samenleven, heel zeker, maar achter een conflict schuilt het fundamentelere feit dat mensen sociale behoeften hebben: ze willen bestaan in de ogen van anderen en erkend worden. Bovendien had hij een heel particulier (studie-en-onderzoeks-)traject afgelegd, altijd op zoek naar de meest prangende kwestie van het moment, en altijd in dialoog met mensen die met beide voeten in het concrete arbeidsleven stonden. ”et heeft mij altijd geïnteresseerd wat ik als socioloog kan bijdragen tot de oplossing van de maatschappelijke problemen. Men verwijt mij theoreticus te zijn. Maar wat ik wil is de theorie van de praktijk”, zei hij in 1962.
Studies
Geboren op 20 juli 1922 te Kerkrade, nabij de Duitse grens, als oudste van zes kinderen, trad hij, na de middelbare school in Heerlen, in 1941 bij de jezuïeten en kreeg in Nijmegen en Maastricht een langdurige theologische en filosofische vorming. In 1953 werd hij tot priester gewijd. Pas daarna, van 1955 tot 1957, studeerde hij sociologie aan de KU Leuven, waarna hij van 1957 tot 1967 doceerde o.a. aan het Collegium Berchmanianum, het vormingshuis van de jezuïeten in Nijmegen, en van 1967 tot 1969 aan de Katholieke Theologische Hogeschool Amsterdam. In 1969 werd hij hoogleraar in de normatieve maatschappijleer aan de Katholieke Universiteit Nijmegen (de huidige Radboud Universiteit). De vlot meertalige Hoefnagels doceerde overigens ook op jezuïeteninstellingen in Duitsland, de VS, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. In Parijs verrichtte hij bovendien tijdens de zomervakanties pastoraal werk in de banlieus.
In 1961 was hij gepromoveerd aan de Sorbonne bij Raymond Aron – toen in Frankrijk zo’n beetje de intellectuele evenknie en conservatieve tegenhanger van Sartre – met het proefschrift La sociologie face aux ‘problèmes sociaux’, waarin hij betoogde dat de grote klassieke sociologen Durkheim en Weber weliswaar interessante inzichten hadden maar toch niet goed doorhadden wat ‘het sociale’ nu precies was. Durkheim herleidde het menselijke samenleven tot een collectiviteit, terwijl Weber in een individualistisch euvel verviel. Zeer origineel was deze stelling niet, maar de gedrevenheid waarmee Hoefnagels zijn alternatieve synthetische visie uiteenzette – namelijk dat samenleven bestaat uit het streven van mensen om ”een echt menselijk sociaal leven te realiseren” en dat een sociaal probleem neerkomt op het verhinderen van dat menselijke streven; wat betekent dat een sociologie die ‘het sociale’ goed begrijpt de morele opdracht heeft om te helpen onmenselijke obstakels uit de weg te ruimen – trok internationale aandacht. Het boek, met een voorwoord van Raymond Aron, werd vertaald in het Duits en o.a. welwillend gerecenseerd in The American Journal of Sociology.
Opdracht in Antwerpen
Hoefnagels was al vijftig toen hij in 1972 in Antwerpen belandde. De piepjonge Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen van UFSIA had toen met Jean Van Houtte en Herman Deleeck weliswaar voortrekkers van respectievelijk de empirische sociologie en het sociaal beleid aan boord. Voor het methodologisch onderricht werd in die pioniersjaren een beroep gedaan op bevriende collega’s uit Leuven: Karel Dobbelaere en Wilfried Dumon, maar een theoreticus ontbrak nog. Aan de UIA trok Jan Lauwers de theoretische kar. Hoefnagels werd in UFSIA dus binnengehaald als theoreticus. Maar hij zou aan zijn opdracht al snel een flinke mondiaal-ecologische draai geven.
Club van Rome
De grenzen aan de groei, het rapport van de Club van Rome, was namelijk net verschenen. Daarin werd met spraakmakende grafieken aangetoond dat ‘de mensheid zich in een kritieke situatie bevond’. Hoefnagels moet dit document met rode oortjes hebben gelezen. Hij las dat ”de mensen overal en in toenemende mate met een reeks van onhandelbare en moeilijk grijpbare problemen (wordt) geconfronteerd”. Dat was nog eens een uitdaging voor een socioloog. Als sociologie, zoals Hoefnagels in zijn dissertatie had beweerd, de obstakels die mensen verhinderden om een echt menselijk leven te leiden, moest helpen verwijderen, dan waren arbeids- en andere sociale vraagstukken maar klein bier in vergelijking met de enorme bedreigingen die nu van alle kanten op de mensheid afkwamen. Het ging om wereldwijde, complexe en elkaar versterkende problemen: verstoring van het milieu, crisis van gewoonten, bureaucratisering, oncontroleerbare uitbreiding van steden, onzekerheid over werkgelegenheid, vervreemding van de jeugd, verwerping door een steeds groter aantal mensen van de waardesystemen van onze samenleving, inflatie en andere monetaire en economische verstoringen om er maar een paar te noemen. Nuchtere empiristen zouden allicht aanvoeren dat hier een heleboel thema’s op een hoop werden gegooid die weinig met elkaar te maken hadden en die, mits je ze wetenschappelijk verantwoord zou willen bestuderen, met cartesiaanse helderheid van elkaar onderscheiden moesten worden, maar dat was volgens Hoefnagels nu juist de grootste vergissing van allemaal: die kwesties ontsproten allemaal aan dezelfde ‘onmenselijke manier van samenleven’ die ook de Derde Wereld-problematiek en de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen had doen ontstaan.
Visie op de sociologen
In de jaren daarna keerde Hoefnagels zich (nog) niet af van de sociologie, maar hij was ontgoocheld omdat de mainstreamsociologen zich nauwelijks bekommerden om heel dat vreselijke kluwen van problemen. Het werd hem almaar duidelijker: ‘De toekomst staat op het spel’, zoals een in 1976 verschenen bundel heette, die hij samenstelde met studenten en oud-studenten. En de sociologie staat ernaar te kijken en onderneemt niets. In tegendeel, zij draagt bij aan de catastrofe. De ‘gangbare sociologie’ en de ‘kritische sociologie’ hebben ronduit uiteenlopende doelstellingen: de eerste verschaft bruikbare kennis om de maatschappelijke machinerie voort te laten draaien, de kritische sociologie verschaft helderheid over waar de samenleving werkelijk naartoe gaat.
In zijn lessen doceerde Hoefnagels, zoals hem gevraagd was, een hele rits van klassieke sociologen. Maar hij deed dat op zijn manier, een beetje zoals hij ook in zijn dissertatie had gedaan: ja, de klassieke sociologen hadden interessante inzichten, maar als het erop aankwam sloegen ze toch flink de bal mis – zeker in het licht van de nakende ecologische catastrofes (klimaat was toen nog niet echt aan de orde; het ging veeleer om de uitputting van de grondstoffen en om milieuvervuiling). Er was een grondige omwenteling nodig van heel onze manier van leven. En anders gaan leven betekende ook: anders aan wetenschap gaan doen.
Wetenschappelijke methode
In de bundel Wetenschap en de bedreigde menselijke toekomst, die verscheen in 1989, twee jaar na zijn emeritaat, bepleitte hij nog een radicale herziening van de wetenschappelijke methode. De menswetenschappen moeten ophouden zich te spiegelen aan de natuurwetenschappen; het omgekeerde is nodig. Er is een soort van hermeneutiek van de natuur nodig. Hoe dit er precies moest uitzien liet hij open. Ik vermoed dat hij de sinds een kwarteeuw aan importantie winnende ‘sociologie van de dingen’, zoals die onder meer aan bod komt in Bruno Latours Actor Netwerk-theorie, zou hebben verwelkomd als hoogstnoodzakelijk. Maar voor hem kwam het allemaal wat laat. In een soort van geestelijk testament, geschreven kort voor zijn dood, nam hij afstand van de sociologie en betreurde hij zelfs dat hij zoveel tijd had gestoken in wat toch maar een vruchteloze onderneming was.
Stempel
Maar vruchteloos was zijn bijdrage, in Nederland, Vlaanderen, Duitsland en Frankrijk allerminst. En hoewel hij maar vijftien jaar doceerde aan de Universiteit Antwerpen (UFSIA), heeft hij ontegensprekelijk een stempel gedrukt op de intellectuele sfeer die er in de jaren zeventig en ook nog later heerste: maatschappelijk bewogen, en heel open van geest. Want hoezeer Hoefnagels ook gedreven was door een missie, doctrinair was hij niet, hij bleef zijn hele leven een (onder)zoekende, en dat is geen kleine verdienste.
Graag liet hij studenten in groepjes discussiëren over klassieke teksten. De waarheid, zo leerden we als studenten, ligt in het samenkomen van mensen die elkaar, middels teksten, beter proberen te begrijpen.
Over Harry Hoefnagels:
Knotter, Ad (2019), ‘De socioloog Harry Hoefnagels s.j. (1922-1990). Een kritische Limburger in vakbondszaken’, in: Jaarboek 2019. Sociaal Historisch Centrum Limburg, p. 139-171.
Knotter, Ad, ‘Hoefnagels, Harry, Joseph, Marie’, in: Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland (http://hdl.handle.net/10622/b3fc735e-17b2-42ed-bb16-6ff31e2eda6f).
Cornelissen, Igor (1990), ‘Een prettige priester’, Het Parool, 26 september.
Van Harry Hoefnagels:
Hoefnagels, Harry (1962), La sociologie face aux ‘problèmes sociaux’. Préface de Raymond Aron. Textes et études philosophiques/ Desclée de Brouwer, Bruges, 240 pp.
Hoefnagels, Harry (1972), Kritische sociologie. Samson Uitgeverij, Alphen aan den Rijn, 167 pp.
Hoefnagels, Harry, red. (1972), Sociologie en maatschappijkritiek. Samson: Alphen aan den Rijn, 214 pp.
Hoefnagels, Harry (1975), De toekomst staat op het spel. Nederlandsche Boekhandel, Antwerpen/Amsterdam.
Hoefnagels, Harry (1987), ‘Maatschappelijk geëngageerde sociologie’, in Streven, jaargang 55, p. 793-806. (Tekst van het afscheidscollege op 16 december 1987, Universiteit Antwerpen).
Hoefnagels, Harry (1989), Wetenschap en de bedreigde menselijke toekomst. Een onorthodoxe inleiding tot de wetenschapsleer. Baarn: Ambo, 186 pp.
Hoefnagels, Harry (1991), ‘Maatschappelijke problemen verschaffen? Een bezinning op de eisen van sociologische empirie’, Tijdschrift voor Sociologie, 12/1, p. 5-35.
em. prof. dr. Walter Weyns, FSW, UAntwerpen
31 augustus 2025

